De auteur:

'Ik wil heel graag reacties van lezers horen. Elfenwoud heb ik geschreven voor tieners, omdat vooral kinderen en jonge mensen tussen de tien en twintig open staan voor het nieuwe, het onverwachte. Ik heb gemerkt dat tieners een groot rechtvaardigheidsgevoel hebben. Dat ze alles wat weerloos is willen beschermen.

En liefde, veel liefde...

Dat zijn de thema's in Elfenwoud. Schrijf me een mailtje wat je er van vindt, ja?'.

Mail je reactie direct naar Ewouts eigen mailadres: ewoutsvl@gmail.com

 

RECENSIES

 

Elfenwoud deel 1 en 2 door Iris


Michaël en zijn zusjes Lucy, Wendy en Diana zijn op vakantie in Slowakije maar komen in een afgelegen dorpje terecht waar hun vader hun voor een paar dagen alleen laat omdat hij moet werken. Het is al dagen slecht weer. Op een dag gaan Michaël en zijn zusjes het woud bij het dorp in. Het is geen gewoon woud. Het heeft iets mysterieus over zich. Als ze verdwalen komen ze op een open plek met de hoeder van het woud, een reusachtige boom. Als de kinderen weer terug naar het pension gaan waar ze verblijven, wordt Diana ziek. Ze krijgt hoge koorts. Michaël wil met haar naar het ziekenhuis maar dat is nog niet zo makkelijk. Hij leent een volkswagenbusje en met de rijervaring die hij heeft van een grasmaaier, en rijdt met Lucy, Wendy en Diana naar het ziekenhuis. Het is noodweer, en dan als ze afdalen van een helling, wordt het busje bedolven onder een lawine. De kinderen zijn er op tijd uit, met behulp van een stem in Michaël zijn hoofd. Als ze dan, uiteindelijk, bij het ziekenhuis zijn, worden ze geholpen door dokter Wenceslas. Hij weet niet wat haar scheelt en haalt dokter Janos erbij. Die ziet dat er een boom door Diana's aura loopt. Wenceslas gelooft dit niet en denkt dat het een mileuvergiftiging is, aangezien er een fabriek in het dorp staat waar de kinderen verblijven, die gifstoffen verbrandt. Ze blijken allebei gelijk te hebben. Dan moet er actie worden ondernomen: er moet iets aan die fabriek worden gedaan. Hij moet bezet worden. De bezetting gaat makkelijk, maar wat er verder allemaal bij komt kijken is moeilijk. Er komt een knokploeg langs, want de eigenaren van de fabriek willen hun fabriek terug. Er komt veel pers en dan maakt Michaël kennis met het andere bewustzijn in zich. Maar als een fotografe die bij hen overnacht een foto van het andere bewustzijn in Michaël maakt, is het weg. Of het terugkomt is afwachten.Ondertussen zijn er vorderingen van het hele plan van de bezetting van de fabriek en alles eromheen. Maar dan wordt Diana weer erg ziek: ze lijkt wel te stikken. Michaël moet haar helpen, maar hoe weet hij niet. Hij moet het ook nog eens alleen doen, het andere bewustzijn in hem is er niet meer en helpt hem dus ook niet. Hij vindt alle druk erg moeilijk. Hij is soms ook verbaast hoe hij het allemaal volhoudt. Maar er zijn nog meer dingen die hij moet doen, en hoe houdt hij zijn zusje gezond.

 

Eigenlijk had ik helemaal niets met fantasy-boeken. Maar ik kom nu direct op dat oordeel terug, want dit is gewoon een fantastisch boek. Af en toe ietwat langdradig, vooral in het begin. Maar het positieve daarvan is dat je goed weet in welke situatie de hoofdpersonen zitten. Het is goed geschreven, je krijgt helemaal een voorstelling van hoe het woud eruit ziet. Het lijkt allemaal heel echt. In vond het eerste deel wel beter dan het tweede, dit omdat in het tweede veel uitleg wordt gegeven, bijvoorbeeld over hoe je dryaden kan zien. Er komen hier veel woorden aan te pas waar ik niet van weet wat het betekent. Ook is het helemaal niet nodig om die uitleg te geven. In het eerste deel gebeurt er voor mijn gevoel ook meer. Het was, zeg maar, meer afwisselend. Het tweede deel ging veel over Michaël zijn tweede bewustzijn, de pers en de plannen voor Diana's boom. Er zat niet meer zoveel actie in. Dit is jammer, maar het is nog steeds een fantastisch boek, want wanneer Dia en Michaël samen zijn en Michaëls verlangen naar Dia, dat is zo goed geschreven. De boeken horen wel bij elkaar, al is het wel wennen in een nieuw boek te beginnen. Het lijkt alsof in het begin van het tweede deel er iets anders geschreven wordt, maar dat is snel afgelopen.
Ik blijf er bij dat het goede boeken zijn, en ik raad het echt aan. Het zijn boeken die je gewoon moet lezen, en ik wacht nu al op de volgende delen!

 

 

Iris van Bommel

 

Julie (12): 'Ik heb het eerste hoofdstuk van het eerste deel net uit. Hartstikke keigoed!'

Beste ….., ik heb op de site het eerste en tweede hoofdstuk gelezen en ik vind het kei goed. Ik denk dat niet veel schrijvers dat kunnen nadoen.

Groetjes van Katrien.

 

Recensie Elfenwoud door Anne (10 jaar)

8 juli 2010 door natuurkind (www.natuurkind.nl)

Anne is tien jaar en heeft voor Natuurkind Elfenwoud gelezen van Ewout Storm van Leeuwen

 

Michael overnachtte sinds een tijdje met zijn zusjes Wendy, Lucy en Diana in een pension, omdat ze door een treinongeluk gedwongen waren om naar dit dorp te komen. Er was een boom op de treinrails gevallen. Michael liep met Diana, Lucy en Wendy door het woud in de omgeving van het pension. Hij dacht na. Sinds ze hier waren, was Diana weer ernstig ziek geworden. Ze had dit thuis ook regelmatig, maar nooit zo erg. In het dorp waren geen ziekenhuizen of dokters. ‘Miche, waar zijn we?’, vroeg Lucy. ‘Geen idee, Luus.’ Na een tijdje lopen kwamen ze bij een reuze-wilg uit. Ze konden hem maar net met zijn vijven omarmen. In de wortels van de boom vielen ze in slaap…. Die avond in het pension had Diana heel hoge koorts, was heel slap en durfde niet te slapen, want dan droomde ze over monsters. Michael wist het zeker: Diana moest naar het ziekenhuis. Michael, Lucy en Wendy doen er alles aan om Diana naar een ziekenhuis te brengen, maar lukt het ze ook??!

Ik verwachtte het begin van het boek heel anders. In het boek wordt niet goed uitgelegd hoe ze in het pension waren gekomen. Het verhaal is erg spannend maar soms komt er wel grote mensenpraat in voor. Ik vind vooral de stukjes leuk als er echt iets gebeurt. Het ontsnappen uit het ziekenhuis bijvoorbeeld. Ik snapte soms woorden niet, maar later wel. Toen werd het goed uitgelegd. Eerst las ik de achterkant van het boek en had geen idee wat een dryade was. Later kwam ik daar achter. In dit deel wordt niks met elfjes gedaan. Dat had ik wel verwacht omdat het op de kaft staat afgebeeld. Ook leuk vind ik dat de mensen net zo reageren, zoals je zelf zou doen.

Ik vind dit deel heel leuk. Er komt veel actie in voor, vind ik. Toen ik het boek uit had, was ik heel benieuwd naar deel twee. Daar ben ik meteen mee begonnen. Anne. 

 

 

Elfenwoud (door Ioannes de Groot) (Ioannes is geen tiener, maar toch...)

A. Inleiding

Ewout Storm van Leeuwen bezorgde mij de serie boeken Elfenwoud. Met plezier heb ik op me genomen de serie te lezen. Een prachtige serie, niet alleen in uitvoering, maar ook in inhoud. Geen enkele jeugdboekenschrijver tot dusverre licht bij mijn weten de jeugd en ons in over natuurwezens en andere geestelijke entiteiten, die in onze omgeving rijkelijk, maar onzichtbaar voorkomen.

Onzichtbaar? Er zijn vele mensen die deze natuurwezens ervaren. Zien of beleven. Of ontmoeten en leren kennen. Zo het momenteel nog weinig mensen betreft die deze verbinding kunnen aangaan: het zullen er zeker méér worden. De tijd is er rijp voor.

Wat dit betreft heeft Ewout Storm van Leeuwen – de schrijver van de gehele serie boeken onder de titel Elfenwoud – in de roos geschoten. Het scala van natuurwezens en natuurkrachten, hoe ze onderscheiden worden, hoe ze gestructureerd zijn in lijnen van gezag, de gehele rijkdom aan dergelijke wezens berust op een waarheid en werkelijkheid, zoals ik die uit andere, betrouwbare boeken heb leren kennen. De natuurwezens zelf willen zich laten kennen. Dat komt ook tot uitdrukking in de dagboeken van Verena Staël von Holstein*, die woont in de molen op de Lünenburger Heide bij de stad Hamburg in Duitsland. Ewout laat zijn verhaal – want de boeken vormen één verhaal – spelen in Slovenië in het dal van Bran. Daar zijn de natuurwezens er ook op uit om de mensen te vinden die hen kunnen helpen. Wat dat dus betreft is de serie een sprekend voorbeeld, zie deel 5 hoofdstuk 7. Het vijfde deel eindigt met de formule die Michaël (de zestienjarige jongeman die hoofdpersoon is van de gehele serie) heeft gevonden om een nieuw natuurwezen te “benoemen” die toeziet op de waterstroom in het dal van Bran. Wie niet gelooft dat dit dal echt bestaat, gaat maar zoeken in noordwestelijk Slovenië. Daar vindt men prachtige natuur, vol met natuurwezens en engelen van het landschap!

Ja, wij zouden ook moeten geloven, dat de relatie van Michael met Dia echt bestaat en mogelijk is. Toch is dat voor mij het moeilijkst te aanvaarden gedeelte in de serie. Eigenlijk is deze verbinding het hart van het gehele verhaal. Het is jammer, dat voor mij in dit opzicht de constructie van de schrijver rammelt. Het lichamelijk lichter worden van Michael en gelijktijdig het fysiek zwaarder worden van het vrouwelijk natuurwezen zijn ongeloofwaardige, zo niet onmogelijke verschijnselen. Zeemeerminnen en Sirenen – zou het niet kunnen dat zij niet zichzelf verdicht hebben, maar dat zij zichtbaar zijn geweest voor zeelieden die meer heldervoelend waren dan meestal wijzelf? Het helend vermogen van Dia jegens Michael is sprookjesachtig. Die sprookjes in de boeken zijn heel spannend en niet kinderachtig. Zo is ook de verbinding van kleine zus Diana met haar boomdeva of –dryade sprookjesachtig. Wel is die laatste verbinding afdoende ‘verklaard’ in deel 2 blz 66; een afdoende verklaring van de oorsprong van de verbinding Michaël-Dia heb ik daarentegen niet gevonden.

Opvallend in de boeken is de moderne trend tot openhartigheid ten aanzien van de dagelijkse beslommeringen van ons mensen. Een volle blaas, natte kleren die moeten drogen, niet kunnen slapen, puberale praatjes tot en met seksueel verlangen, een stijf lid en seksuele ontmoetingen – dit alles wordt niet geschuwd en geeft de boeken een actueel en profaan voorkomen. Ook komt er veel humor uit deze situaties voort. Verder worden het waarheidsgehalte erdoor verhoogd en de sprookjessfeer verminderd.

Toch betreur ik de onwaarschijnlijkheid van de vorm van liefde tussen Michaël en Dia. Want volwassenen die de boekenserie eventueel voor hun kinderen afwijzen doen in hun omgeving dan helaas ook twijfels over natuurwezens in het algemeen toenemen.

Tot zover de algemene notities over Elfenwoud. O ja, er rest nog het compliment over de grote letter en de korte hoofdstukken in de boeken, waardoor ze voor jongeren of bij voorlezen zeer bruikbaar zijn. Verderop ga ik op de belangrijkste van de aangestipte zaken meer inhoudelijk in. Ik wil nog vermelden het verdienstelijke interview met Ewout Storm van Leeuwen in het tijdschrift Onkruid, maart/april 2010 op bladzijde 75. Kort en positief vertelt de schrijver over zijn verbinding met natuurwezens. Zijn schrijfwijze is die van een ‘fantasy’schrijver, maar het boek bevat meer waarheid dan de Onkruid redactie zal hebben gedacht. Onder * heb ik het boek bedoeld van Verena Staël en de Flensburger interviewer, met de titel “Wat de natuurwezens ons te zeggen hebben”. Men leert ze daarin ook kennen.

Ioannes A.K. de Groot, Amsterdam, 23 februari 2010

Nu wandel ik graag met de lezer eens kritisch door de gehele serie en stip onderwijl de belangrijkste punten aan.


DEEL 1 Diana’s boom

In deel 1, hoofdstukken 8 en 9 leren we een stem in Michaëls hoofd kennen, die hem beschermt. Zo overleven de kinderen in het volkswagenbusje de gevaarlijke steenlawine. Wij leren pas later, in deel 2 bladzijde 33, dat deze stem niet van de beschermengel is, doch van Dia, het natuurwezen in of bij Michaël. Zij gilt en schreeuwt, inderdaad een beschermgeest onwaardig. In de gehele serie blijken beschermengelen inhoudelijk te ontbreken. De schrijver zal deze toch kennen, zoals blijkt in deel 2 bladzijde 74; dat hij ze geen rol geeft in de diverse noodsituaties waarin de kineren geraken vind ik een groot gemis. Het is in het algemeen van zeer groot belang voor de jonge mensen dat zij besef krijgen van hun persoonlijke beschermengel.

Het is jammer, dat de in deel 1 geïntroduceerde paragnost daarvoor met het woord ‘helderziende’ werd aangeduid. Andere geïntroduceerde helderzienden, zoals Irina en haar moeder op bladzijde 151 heten in het Nederlandse spraakgebruik mijns inziens eerder heldervoelende mensen. ‘Helderziend’ vermoed ik bij kinderen als een vooreerst beangstigende term.

In de hoofdstukken 14 en 18 is de ontknoping van Diana’s geheimzinnige ziekte enigszins ontroerend voor de lezer. Hij ziet eerder dan de volwassen deskundigen rondom het zieke meisje hoe de vork in de steel zit. De verteller van de serie is kennelijk een alwetend figuur. Zo leren we Ewout Storm van Leeuwen kennen?      

Op bladzijde 179 regel 1 ontbreekt het woord ‘geen’ in de zin. Ook ging ‘hun’ trein weer vertrekken.

Op bladzijde 207 wordt de suggestie gewekt, dat een boom of boomwezen een beschermend wezen is. Dat wordt op bladzijde 211 rechtgezet.  Inderdaad zijn de boomdeva’s of –dryaden de behoedende, beschermende geesten van een bomenrij of een geheel bos.

De boeken bevatten vele moeilijke woorden, die meestal niet verklaard worden. In deel 1 bijvoorbeeld paragnost, faun op bladzijde 209, djinn op bladzijde 188. In deel 2 op de bladzijden 164 en 165 onder andere cherubijn en lichtgeest. Een lijstje achterin elk deel met verklaringen zou iets hieraan verbeteren. Een verklaring in de tekst heeft de voorkeur.

Op bladzijde 217 van deel 1 worden waterbuizen heuvelopwaarts gelegd en er stroomt later ook water uit. Ligt het aan mij, dat hier misschien iets niet klopt?

De omslag van deel 1 is een bespreking waard. Is hier de kleine Diana afgebeeld? Hoe kan zij dan hier vleugels hebben? Zij is tot en met deel 5 te zwaar om zelf met de vleugels van haar dryade te vliegen en in deel 1 zijn deze nog niet genoemd. We hebben naast plezier ook vragen naar aanleiding van deze voorplaat. In het algemeen roepen de kleurige voorplaten een verlangen op naar illustraties – al was het maar zwart-wit – in de boeken zelf. Elk deel is nu ruim 200 bladzijden met alleen tekst.


DEEL 2  Het elfje Dia

Op bladzijde 9 en 10 vinden wij een goede uitleg van het morfogenetisch veld van Sheldrake, dat in bepaalde kringen in onze tijd onthaal heeft gekregen.

Op bladzijde 43 zien we een mooie droom van Michael om een boom te zijn.

Op bladzijde 45 blijkt de schrijver niet duidelijk te weten, dat de natuurgeesten hun intelligentie putten uit de Akasha-layer rond de aarde. Dat is uit de boeken vanuit Verena von Staël – eerder genoemd – voldoende duidelijk geworden. Op bladzijde 122 maakt Dia dan ook een twijfelachtig gebruik van onbenutte uithoeken van Michaëls hersenen. Temeer twijfelachtig, omdat het ontwikkelen van helderziende vermogens –hetgeen Michael doet – juist de laatste uithoeken van de hersenpan benut. Ook zou Dia met het gebruik van Michaëls brains niet ‘emotieloos’ kunnen zijn gebleven. Het ware dus beter geweest, als Dia zich meer had gehouden aan het natuurrijk waaruit ze stamt.

Bladzijde 139 regel 4 ‘zelf’ moet zijn: ‘zelfs’. Op bladzijde 185 een storende fout: ‘dat is het inderdaad probleem’.

Op bladzijde 174 een mooie beschrijving van een landschapsengel, die ik zelf ook ervaar in de grotere eenheden van landschappen.

Bladzijde 197 bevat de introductie van de titel van de serie: Elfenwoud, nu de mensen het bos zo noemen, nadat ze de elf Dia echt gezien hebben.

De hoofdstukken 31 en 32 hebben de titels ‘Doorbreken’ en ‘Op het breekpunt’. Mij dunkt, deze titels zijn zwak. Ik zie wel in, dat dit chapiter – het titels geven – niet eenvoudig is. Deze hoofdstukken bieden de verademing van een meer concrete inhoud na al het ‘vage’ gedoe met Michael en zijn Dia in de voorafgegane hoofdstukken.

Op bladzijde 237 staat Wat vooraf ging, als een soort mosterd na de maaltijd. Naar deze opsomming, die in deel 5 geheel ontbreekt, moet in de inhoudsopgave voorin verwezen worden vóóraf aan (bovenaan:) hoofdstuk 1. Nu staat de verwijzing onderaan, op een te onopvallende plaats. 

Over de omslag van deel 2 heb ik mijn twijfel. Ik heb toch wel enige verbinding met de jeugd. Enerzijds is deze beeltenis mijns inziens wat overdreven onthullend, anderzijds stel ik me van Dia kleinere, mooie borsten voor. Iedere lezer schept zich een beeld van de romanfiguren en het is bijna altijd ontnuchterend als men een beeltenis treft, gezien het beeld, dat je in jezelf geschapen hebt.


DEEL 3  Het woud vecht terug

In het begin van dit deel blijkt, dat de natuurwezens verlangen naar samenwerking met mensen om de Aarde te helpen in het nieuwe tijdperk dat begonnen is.  Dat is de mooiste boodschap uit deze boekenserie. Hetzelfde woord in de inleiding wordt vervolgd in het laatste gedeelte van deze bijdrage. 

Bladzijde 40 regel 13. Het ‘hield ze bezig’ moet zijn: ‘hield hen bezig’.

Hoofdstuk 12 bevat een mooi beeld van het optreden van boselfen. Ook vinden we hier een mooie impressie van de verstandhouding tussen jonge mensen in deze tijd, van 13 tot 17 jaar.  Alsmede van de gedachtenwereld van jongeman Michael, zestien jaar, in hoofdstuk 13.

Bladzijde 153. Het verslag van de materialisatie van natuurwezen Dia, waarover in de inleiding al is gesproken. ‘Waren’ moet zijn: ‘was’. Op bladzijde 154 bereikt Michaël de “lichtheid van de mensen zoals die in een voorgaande cyclus van de Aarde was geweest”. Een zeer interessante uitspraak van de alwetende verteller. Op dit punt kan alleen een vergaande esoterische kennis enige duidelijkheid verschaffen…. en voor zover mij nu bekend, is deze uitspraak een loos woord.

Hoofdstuk 23 heeft een titel, die een gehele essentie van wat er gebeurt verklapt. Men zou hier op terughouding kunnen hopen om de spanning er meer in te houden.

De omslag van deel 3 toont ons het gezicht van waarschijnlijk Dia als te scherp, te bezorgd. Ze zou juist over het geweld der soldaten heen meer vrolijk kunnen kijken.

DEEL 4  Engelen en demonen

De hoofdstukken 1 en 2 geven een goede uiteenzetting over de “Godheid” Pan, van wie vele bronnen buiten deze boekenserie van het bestaan gewagen.  Ook komen hier aan de orde een boodschapper-engel en een landschapsengel. De initiatie van Dia is daarbij helaas een twijfelachtige vrije toevoeging van de schrijver. Toch wekt deze episode in Hoofdstuk 3 ook bewondering.

In hoofdstuk 6 vinden we een introductie van demonen, die ook reeds in de titel van dit boek genoemd werden. Het is nodig hierover in het laatste deel van deze reactie van gedachten te wisselen.

Bladzijde 149 regel 4 van onderen: er staat twee maal ‘zijn’.

Hoofdstuk 22. Het nieuwe gesprek tussen de vijf kinderen en de drie natuur-gezagsdragers honoreert fraai de menselijke vrijheid in het omgaan met de natuur en de natuurwezens.

Bladzijde 175. Inderdaad, Ewout, spasmen zijn meestal een teken van een ANDERE bezetting.

Waarom heeft de schrijver op bladzijde 184 in regel 9 in plaats van de term ‘kettingganger’ geen gebruik gemaakt van bijvoorbeeld de bekende tekst: << Jump down, turn around, and pick a bale of cotton>> om uit te leggen waar het hem hier om gaat? Over het algemeen is dit deel 4 spannend en bevat het veel verspreide humor.

Op bladzijde 185 ligt het ongeluk met de doorgeschoven pallet erg voor de hand, maar waarom moeten de jongelui zodanig ten val komen? Ze zouden normaal toch een grote afstand tot het object bewaard kunnen hebben?

Op bladzijde 186 zie ik Michael toch wel erg gemakkelijk ‘overweldigd’. Als hij alleen keek naar de vlammen en het vuur kan hij de monsters inderdaad waargenomen hebben – maar je ziet hen worstelen en ten onder gaan.  Je richt je daarbij op en denkt: MIJN werk! Ik acht de episode zoals de schrijver hem schetst te zeer dramatisch.

De omslag van dit deel vind ik veelzeggend en prachtig.


DEEL 5  De elementen grijpen in

Hoofdstuk 1 “Boos weer” is een merkwaardige titel. Wie is er weer boos? “Het onweer” of  “Slecht weer” klinkt meer gewoon, doch was beter geweest. Opvallend is, dat de omvang van de bui veel krachtiger is dan de in de tweede helft van deel vier besproken ‘milde regenbui’. De verklaring hiervan volgt in ons hoofdstuk 3. Omdat er over de schoonmaak van de beek bij de mensen een patstelling was ontstaan heeft de natuur (van nòg hoger hand – dat moet de aartsengel geweest zijn) een andere koers uitgezet. De verklaring is afdoende, maar wat onbevredigend gezien de enorme draagwijdte van de hemelse handelwijze. Deze gevolgen spelen in het gehele deel 5.

Hoofdstuk 3 “Over moeder” is alwéér een merkwaardige titel, om diverse redenen. Waarom niet gewoon “Familieberaad”?

In hoofdstuk 7 een mooi voorbeeld en een mooie uitleg van wat mensen in de toekomst van engelen overnemen en waar en wanneer dat mogelijk is.  Dit is reeds aan de orde geweest in onze Inleiding.

In de hoofdstukken 8 en 9 blijkt de vraag te zijn, HOE ooit een natuurwezen voor een landschap benoemd of aangetrokken kan worden. Dat mag geen algemene formule zijn, maar moet specifiek een individueel natuurwezen bij een beheersplan betrekken. Hoe dit uitgewerkt wordt, zonder dat goede natuurkenners meehelpen (bijvoorbeeld de aanwezige indiaan Roaring Bear), is interessant om in dit deel na te lezen.

Bladzijde 77 De houding van de moeder van het gezin kan best uit een eerstvorig leven stammen, zonder dat mama ooit geëvolueerd behoeft te zijn uit een natuurwezen. Mij dunkt, dit is van de schrijver een nieuwe variant op het thema dat iemand van een specifiek dier zou kunnen afstammen.

Bladzijde 93. Een “ongeluk door spelende jonge luchtwezens”is hoogst onwaarschijnlijk. Luchtwezens zijn zo oud als de wereld. Inderdaad willen ze ondanks hun leeftijd nog wel spelen in bijvoorbeeld wervelwinden, maar dat zouden ze hier niet gedaan hebben, omdat ze in hun wijsheid weten, dat er ongelukken van kunnen komen. Hier heeft de schrijver mijns inziens een goedbedoelde misser begaan.

In het algemeen treft ons in deel 5 een zekere slordigheid van opstelling en afwerking. Er zitten in met name de laatste helft meer schrijf- en stelfouten dan in de andere delen tezamen. De sprongen in de tijd worden niet voldoende duidelijk gemaakt. Er wordt een prehistorische grot ontdekt, die opvallend schittert door het ontbreken van verdere aandacht. De wereldjamboree is als een nachtkaars – of hoe anders? – uitgegaan.  Er zijn twee mannen bevrijd, die tot de tegenstanders behoorden, van wie we niets meer vernemen. Twee personen worden uit een serieuze gevangenis bevrijd, zonder dat represailles of reacties bekend worden. De uitslag waterkwaliteit in keteldal en beek zijn bekend geworden, maar in het boek niet bekend gemaakt. Doordat het winter wordt gaan alle kampeerders naar binnen, maar waar de arme Dia blijft is ons niet bekend gemaakt. Er ontbreekt de korte inhoud van vier eerdere delen. Kortom, wij zijn blij met de gehele serie, doch blijven treurig achter in onwetendheid….

Binnen de thematiek van omgaan met de natuurwezens heb ik in de Inleiding al gewezen op een passend einde. Het vinden van de instellingformule en de gehele entourage daarvan is erg bevredigend en stemt ons uiteindelijk gunstig.

Over de omslag van deel 5, tenslotte heb ik weinig aanmerking. Een dramatische hemel, doorkliefd van bliksem, met Dia en Diana op de voorgrond is passend bij deel 5.

B

In nadere verdieping willen wij ons ten eerste bezig houden met het type of de soort van demonen die de schrijver in deel 4 voor het voetlicht heeft gebracht. Wij zien, dat deze zich hoofdzakelijk in de fabriek ophouden en daar – door het werk van twijfelachtige mensen - een opstapeling van kwaad hebben bewerkstelligd. Ook zijn zij via de waterlozingen uitgestroomd in het chemisch aangetaste beekdal, waar méér bomen dan die in het water wortelen zijn aangetast. Ondanks dit, doet het beschreven verschijnsel mij niet aan een demonische werking denken. In de fabriek zijn de machines door meer eenvoudige grijze machten bezet, die daar (zoals altijd bij machines) eendrachtig met de mensen samenwerken. Deze Arimanische machten zijn in de menselijke samenleving normaal te noemen. Zij werken niet destructief en chaotiserend. Ook in of bij de fabriek van deel 4 heb ik zulke tendensen niet in het boek aangetroffen. Er staan geen vervormde bomen en struiken rond deze fabriek. De uitstroom naar de beek is ernstig en kwaadaardig en dat hebben mensen op hun geweten, maar is in wezen zeer beperkt destructief. Deze machten zijn er niet op uit de aardse werkelijkheid te veel geweld aan te doen, want dan zouden zij hun invloed verliezen. Dan worden het, mijns inziens, géén demonen, maar Arimanische grijze of zwarte machten genoemd. Wèl echt de Anderen zoals de schrijver ze ongeveer aanduidt. Wel in grote dichtheid op deze zwarte plaats aanwezig. Wel kunnen zij uitgroeien tot monsterlijke vormen. Kortom, ik had liever gezien, dat de schrijver met ongeveer dit inzicht iets zorgvuldiger had omgegaan met het woord demonen.

Het is in tweede instantie bij dit artikel interessant ons te realiseren waar in het Nieuwe Testament over natuurwezens wordt gesproken en in welke hoedanigheid. Ik citeer uit Romeinen 8: “Wij weten, dat de gehele schepping zucht en in barensweeën ligt – nog steeds. Reikhalzend immers wacht al het geschapene op de openbaring der zonen Gods”. Zo’n schepping als hier wordt bedoeld moet een schepping vol levende entiteiten zijn, waartussen wij de natuurwezens direct onderscheiden. Juist zij hebben erkenning nodig! Het is opvallend, dat iets van de openbaring, de erkenning van de natuurwezens aan de orde van onze tijd is. Als men Paulus gelooft, is Ewout Storm van Leeuwen goed bezig.

Ten derde. Op bladzijde 165 van deel 2 vertoont Michaël zich aan de mensen zó, dat hij een lichtgeest lijkt. Dit doet mij eraan denken dat wel eens wordt gesproken over het nieuwe lichtlichaam dat de mens over zeer lange tijd zou kunnen verwerven tegen de tijd dat de huidige lichamelijkheid heeft afgedaan. Nadat de vruchtbaarheid is afgenomen zodanig, dat het menselijk ras dreigt uit te sterven. Dit is een akelig beeld, en het alternatief die wij onder ogen zouden moeten zien, is die van het lichtlichaam of opstandingslichaam, dat verworven kan worden. Die mogelijkheid heeft alles te maken met de “zonen Gods” uit het citaat van Paulus. Van dit bijzondere opstandingslichaam heeft Christus ons een voorbeeld gegeven in de lichaamsvorm die hij vertoonde ná de opstanding. Wij zijn als de ongelovige Thomas in onze twijfel of dit een realiteit was. Om een lang verhaal kort te maken: 1e Wat heeft dit met het Elfenwoud te maken? Daarin wordt ten onrechte een toekomst voorzien die niet realistisch is. 2e Hoe redden we ons zo, dat we eventueel dit lichaam verwerven? Indien wij op vrije keuze Christus’ brood en wijn (dat is: lichaam en bloed) in de kerk of in de moskee tot ons nemen, bouwen we ons langzaam zo’n lichamelijkheid op. Het wordt over de levens heen steeds aangevuld en verbeterd, zonder dat het direct zichtbaar wordt. Later, veel later, wordt het onze nieuwe, zichtbare “behuizing”, waarbij het verschil in de geslachten wegvalt. Vandaar in het Bijbelcitaat “zonen Gods” en niet “zonen en dochters Gods”. Het had natuurlijk ook “dochters Gods” kunnen zijn. De lezer ziet, dit is in elk geval een totaal ander toekomstbeeld en niet de vrije  sfeer zoals in Elfenwoud. Weliswaar heb ik dit al te kort moeten uitleggen, terwijl de besproken boeken erg uitgebreid zijn in schrijvers andere visie. Ik vind het nauwelijks een argument, dat we het in een jeugdserie niet zo nauw moeten nemen. In deze goede boekenserie moeten we de jeugd, mijns inziens, toch niet te gemakkelijk een onwerkbaar alternatief voor het gewone leven aanbieden. Wij zullen de schrijver zijn wensdromen niet te zeer kwalijk nemen. Hij heeft daar een prachtige serie boeken op gebaseerd.

 

 

 

 

 

 

 

Voorlezen!
Ewout komt op verzoek voorlezen uit eigen werk
Ik kom je voorlezen als je dat wilt.
ewoutsvl@gmail.com

©Esmas - Easy Site Management System [v0.1] - Verwegen Webdevelopment™