Het magische woud in het Dal van Bran voert strijd om te overleven in een vergiftigde wereld. De Dryade van het Woud probeert de hulp van mensen te krijgen. Daarbij raakt ze verstrikt in de geest van een klein meisje: Diana. Als haar boom dreigt te sterven weet de dryade Diana naar het woud te lokken. Maar daar wordt het kind ernstig ziek.
In deze noodsituatie ontdekt Diana’s broerMichaël dat in hem een ander bewustzijn huist dat hen helpt.Met een oud busje onderneemt hij een hachelijke tocht door de nachtelijke bergen om zijn zieke zusje naar een ziekenhuis te brengen.
Een arts en een helderziende komen te hulp om het woud te redden.En daarmee Diana’s leven...
Voor hen klonk een luid gekraak. Geschrokken doken de vier kinderen in elkaar. Liep daar achter die omgevallen woudreus een groot beest? Een beer misschien? In deze wilde bergen kon je nog van alles tegenkomen...
Het gekraak herhaalde zich niet. Wel hoorden ze geritsel, alsof iets door de struiken gesleept werd. Het bewoog zich van hen af, dezelfde kant op die zij gingen.
Blauwige nevels hingen bewegingloos tussen de boomkronen. Het vroege zonlicht wierp schuine banen door het bladerdak.
Daar! Een torenhoge schaduw bewoog zich langs de oplichtende nevelbanen. Wat kon er zo groot zijn?
Met de schrik in de benen draaiden de kinderen zich om en slopen een andere kant op. Ze stapten achter elkaar aan over smalle wildpaadjes en zorgden ervoor geen geluid te maken.
Op een open plek kropen ze dicht bij elkaar en luisterden of het gekraak achter hen aan was gekomen. Maar het bleef stil.
Pas na een hele tijd durfden ze verder te gaan.
Aarzelend stonden ze op en keken om zich heen. Ze waren alle gevoel voor richting kwijt! Waar was het spoor dat hen hier had gebracht? Alle paadjes leken op elkaar.
‘Zijn we nu verdwaald?’ vroeg Wendy met geknepen stem.
‘Hoe kan dat nou!’ Lucy liet zich niet zo gemakkelijk van de wijs brengen als haar tweelingzus. ‘Hebben we een kompas?’
Ze zochten in hun broekzakken, jaszakken, rugzakken, maar ze vonden geen kompas.
‘Stom, vergeten,’ zei Michaël spijtig. ‘Mijn kompas zit in de zak met kampeerspullen, in het pension.’ Hij keek omhoog of hij de zon kon zien, maar de lucht was intussen helemaal dicht getrokken. Er was alleen maar grijs licht.
De kleine Diana trok aan zijn mouw. ‘Kom,’ fluisterde ze, ‘ik weet welke kant we op moeten.’
Zonder protest lieten ze zich door haar een wildspoor op leiden. Ze voerde hen langs open plekken, waar oude kolossen van bomen lagen te vermolmen en helderwitte berkjes en metalig glanzende lijsterbessen torenhoog opschoten. In hun streven naar licht waren de jonge scheuten uitgerekt als kauwgomdraden: hun iele stammetjes waren soms maar zo dik als een duim. De nevel leek alles wel van binnenuit te verlichten tot alle stammen en bladeren glansden alsof ze ingeolied waren.
Diana bleef weifelend staan toen ze een veelbelopen wildspoor kruisten.
‘Kijk,’ fluisterde Lucy, die op haar hurken ging zitten om iets op de grond te bestuderen. ‘Sporen van een heel groot hert, kijk maar, de prenten zijn diep.’
‘Welke kant gaan ze op?’ wilde Wendy weten. Ze voelde er niets voor om zo’n enorm beest tegen te komen.
‘Beide kanten.’ Lucy porde met een stokje in de grond. ‘Ik denk het laatst naar rechts, die prenten lijken me later gemaakt.’
‘We moeten in ieder geval terug naar het riviertje,’ zei Michaël bezorgd. ‘Welke kant van het pad gaat omlaag, denk je?’
‘Rechts.’
‘Ja, dat dacht ik ook. Kom, we gaan naar rechts. Zo’n hert is banger voor ons dan wij voor hem.’
‘Ga jij dan maar voorop,’ griezelde Wendy.
Michaël nam Diana bij de hand en ging het brede wildpad op. Hij vond het fijn om weer vooraan te lopen en de leiding te hebben over hun expeditie. Want voor hem was hun boswandeling een ontdekkingsreis. Hij was er op uit om nieuwe dingen te vinden, over paden te gaan waar geen mens ooit had gelopen. Eigenlijk hoopte hij dat ze op een wonder zouden stuiten. Niet eng gekraak van onzichtbare bosbewoners, maar... iets moois. Het verlangen was heel sterk, hier, in dit wonderlijke woud. Het voelde zelfs als een belofte: als hij zijn uiterste best deed en goed zocht zou hij het... (haar?) wellicht kunnen vinden. Zijn hart klopte in zijn keel bij elke bocht...
Het spoor leidde na een tijdje over een ruige helling waar bemoste rotsblokken verspreid lagen onder een hoge klif, als versteende trollen die zich door de zon hadden laten verrassen.
Er glinsterde water dat in een dunne laag over het steenachtige pad vloeide. Het leek of ze door een dorp van dwergjes liepen, waar alle bewoners in hun huisjes en holen waren gevlucht.
Diana lachte toen Wendy zoiets opmerkte. ‘Dat is ook zo,’ zei ze.
De tweeling keek elkaar aan: zouden ze hier een bloemenkrans voor het onzichtbare volkje maken, een elfenhuisje?
Of was dat te kinderachtig nu ze dertien waren?
Omdat ze het niet wisten liepen ze door, maar eigenlijk hadden ze onder stenen en in holletjes willen gluren om te zien of Diana niet toch gelijk had.
Na een hele tijd werd het voor hen uit lichter.
‘We komen weer bij een open plek,’ fluisterde Michaël. ‘Nu stil zijn, misschien zien we...’ Hij durfde niet uit te spreken wat hij hoopte te zien.
Verscholen tussen de takken spiedden ze rond.
Hun geduld werd beloond. Konijnen huppelden in het zicht en gingen verder met knabbelen en graven waar ze gestoord waren door de voetstappen van de kinderen.
Toen, opnieuw gekraak, hoefslagen als van een paard, maar er was niets te zien. Ze hielden hun adem in.
Uit een onzichtbaar wildpad kwam een enorm hert tevoorschijn; de meisjes knepen elkaar en hun broer van opwinding. Het verscheen als een duvel uit een doosje; ze hadden het amper zien bewegen.
Michaëls romantische verlangen naar een elfenmeisje was op slag overstemd. Deze verschijning was van een hele andere orde. Dit was duidelijk een machtig natuurwezen.
Over de open plek heen keek de oude hertenbok hen recht in de ogen. Ze voelden opeens van alle kanten ogen op zich gericht. Enkele konijnen zaten rechtop naar hen te kijken; maar het waren beslist niet allemaal dieren die naar hen keken...
Het hert neeg de zware kop met het geweldige gewei, als in een groet.
Beleefd beantwoordde Michaël het saluut door zijn hoofd eveneens te buigen. Het hert keek hen strak aan, draaide zich met vloeiende, brede bewegingen om en deed een paar stappen. Het keek achterom: waar bleven ze nou?
Toen het tussen de takken gleed, volgden de kinderen. De konijnen hipten op hun gemak uit de weg, niet van zins zich een tweede keer te laten storen door de tweevoeters.
Het grote dier leidde hen langs allerlei kronkelpaadjes naar een ruime open plek aan het riviertje. Daar bleef het staan en draaide zijn kop naar hen toe, alsof hij wilde vragen of ze begrepen hadden dat ze hier moesten zijn.
Verwonderd keken ze om zich heen, toen naar elkaar en weer in het rond. Waar was dat hert zo gauw gebleven? Geen takje had bewogen, geen stap was te horen geweest. Hadden ze het gedroomd? Nee, ze hadden de afdrukken van zijn hoeven toch in de modder zien staan?
Hand in hand wandelden ze de open plek op. Een eenzame woudreus beheerste de hele ruimte. Met grote ogen bekeken ze de gigantische beuk. Aan zijn voet kronkelden zware wortels als voorwereldlijke reuzenslangen over de met dorre bladeren bedekte grond. Bloeiende graspollen en vingerhoedskruid staken ertussen omhoog. Hoger op de reusachtige stam ontsproten takken zo dik als bomen aan de grijze schors.
Ze gingen er omheen staan en probeerden met hun vieren de stam te omvatten. Dat lukte maar net.
‘Jee, wat een reus,’ zuchtte Wendy. ‘Dit is de grootste boom die ik ooit heb gezien.’
De anderen knikten. Wendy had hardop gezegd wat ze op dat moment allemaal dachten.
Diana kon niet genoeg krijgen van de boom. Ze streelde de knoestige wortels, liet haar handen in spleten en holletjes glijden en legde tot slot haar wang tegen de stam terwijl ze zacht neuriede.
‘Kom, we gaan eten,’ nodigde Lucy uit, terwijl ze hun etenswaren op een doek uitstalde. Diana liet zich van een dikke wortel in een uitholling glijden, waar ze als een prinses op een troon presideerde.
Ze aten de meegebrachte broodjes en genoten van de romige melk die ze van de pensionhoudster hadden meegekregen.
Het was stil en vredig; de ontelbare vogels en ruisende bries in de kruinen zongen een lied van wind en licht en veiligheid. Het duurde niet lang of ze vielen in slaap.
Hoofdstuk 2
Onverstaanbare boodschappen
Michaël droomde dat hij op zijn rug lag. Boven hem welfde zich een zwarte hemelkoepel, bespikkeld met miljoenen bewegingloze sterren. Hij wist dat vlak naast hem anderen waren, onbekenden, maar hij kon zijn hoofd niet opzij draaien. Hij kon zich helemaal niet bewegen. Hij had zelfs geen lichaam om te bewegen.
Er woelde een hevig verlangen door hem heen om die wezens naast hem te zien, maar zijn blik bleef star gericht op de roerloze sterrenhemel.
Hij wist dat ze naar hem keken en iets vroegen, maar hij kon hen niet verstaan. Bijna meende hij te begrijpen wat er gezegd werd, maar de klanken gingen te snel en vloeiden langs hem heen zonder een betekenis achter te laten.
De stemmen werden steeds nadrukkelijker, alsof ze een dringend beroep op hem deden. Wanhopig trachtte hij er iets van te begrijpen, maar hij kon zelfs geen woorden uit de willekeurige geluiden opmaken. Hij dacht dat ze zijn naam riepen, maar het leek of een vlies alle betekenissen tegenhield. Een gevoel van verlies maakte hem zo verdrietig dat hij in zijn droom wel dood wilde.
Het onvervulde verlangen naar die wezens bleef aan hem knagen toen hij duizelig overeind was gaan zitten. Zijn hoofd leek wel vol met watten te zitten, met een knellende band er omheen.
Verwezen keek hij rond.
Hij had gefaald. Hij had de boodschappen niet begrepen. Het galmde als een allesoverheersende echo in zijn hoofd: er was een unieke kans voorbijgegaan.
Hij stond op; hij wilde zijn gezicht in het riviertje wassen om helder te worden. Het water rook echter vreemd: zoetig muf en metalig scherp tegelijk, zodat hij er maar van afzag.
Er stonden veel dode bomen langs het water.