Deel 2: Het elfje Dia

Vernieuwd!

Winkelprijs € 12,50

240 pagina’s, paperback

ISBN 97890.811170.7.4

 

De Dryade van het Woud van Bran zit gevangen in het mensenkind Diana. De dryade heeft Diana met broer en zusjes naar haar boom geleid. Deze dreigde te sterven door giflozingen uit een fabriek.

Milieuactivisten bezetten de fabriek. De vergiftiging van het woud is net op tijd gestopt. Ook Diana’s leven is daarmee gered. Voorlopig...

De eigenaren van de fabriek proberen de macht over het dal te heroveren, daarbij geholpen door duistere krachten.

Tezamen met het andere bewustzijn in zijn geest stelt Diana’s broer Michaël zich teweer tegen de aanslagen.

Op een ochtend wordt hij in het woud wakker met een elfje in zijn armen...

 Ja, ik bestel

 

Hoofdstuk 1

Nachtwake rond het woud


In het kleine tentenkamp bij Diana’s boom lagen Wendy en Lucy wat onwennig in hun slaapzak. Hun eerste nacht in het bos. Diana lag knus tussen hen in.
‘O!’ Wendy ging rechtop zitten. ‘Diana, zal ik je temperatuur nog even opnemen?’
‘Nee, ik heb het niet koud meer,’ mompelde Diana slaperig.
‘Laten we het nou maar wel doen,’ hield Wendy aan. ‘Misschien is je onderkoeling voorbij, maar krijg je straks weer koorts.’
‘Ze krijgt toch alleen koorts als de rook van de giffabriek door de regen neerslaat op de bladeren van haar boom? Nou, de fabriek is bezet door de Milieufederatie. Die rookt niet meer. En het regent ook niet,’ kwam Lucy’s stem vanuit haar slaapzak.
‘Ja, maar toch vind ik het gek dat Diana ziek wordt elke keer als er iets met de boom aan de hand is,’ hield Wendy vol.
‘Dat komt door die ander in me,’ zei Diana zachtjes. ‘De dryade, die dokter Janos in me zag. Het is haar boom. Als die ziek wordt, word ik dat ook.’
‘Kun je haar voelen?’ vroeg Wendy nieuwsgierig.
‘Ik weet niet eens of het een meisje is,’ aarzelde Diana. Ze gaapte. ‘Ik weet niet anders dan dat die ander er is. Ik begreep pas dat andere kinderen zoiets niet hebben toen dokter Janos het uitlegde.’
‘Misschien krijg je geen koorts meer, maar als je te koud wordt, moeten we een warme kruik maken, heeft dokter Wenceslas gezegd,’ hield Wendy aan.
‘Ik heb het niet koud!’ zei Diana, die er genoeg van kreeg. ‘De grond wordt toch doorgespoeld? Nu kan er geen giftig grondwater meer bij mijn boom komen!’
‘Merk je dat zo snel al?’ vroeg Lucy. ‘Ze hebben het beekje pas vanmiddag hierheen omgeleid.’
‘Ik heb het tenminste niet meer zo koud,’ zuchtte Diana. ‘Maar ik ben nog steeds heel moe. Mijn boom is nog lang niet beter.’
‘Oké dan. Ga maar lekker slapen.’ Wendy knuffelde haar zusje.
Lucy lag nog na te denken. ‘Misschien is het tussen Diana en de dryade in haar net zoiets als tussen tweelingen zoals jij en ik, Wen. Ik denk ook vaak aan jou en ik kan het voelen als je niet aan mij denkt.’
‘Ja, dat heb ik ook.’ Wendy gaapte tot ze niet meer kon. Tevreden gingen ze slapen.

Daarnaast, in Michaëls tent, zaten Dinja en Yvette nog zachtjes met elkaar te praten. Yvette had haar opnameapparaat en een microfoon tussen hen in gezet en Dinja gevraagd uit te leggen hoe zij als helderziende dryaden zag.
Dinja zat erover na te denken. Ze keek Yvette aan bij het gele licht van de stormlantaarn, die ze voor de gezelligheid hadden meegekregen van de tweeling.
‘Heb je wel eens gehoord van de bioloog Rupert Sheldrake?’
Yvette schudde ontkennend haar hoofd. ‘Ik ben politiek verslaggever,’ zei ze verontschuldigend. ‘Ik ben niet zo op de hoogte van wetenschap en milieuproblemen, vrees ik.’
‘Deze Britse wetenschapper heeft een theorie ontwikkeld dat organismen een groepsbewustzijn hebben dat de hele aarde omspant. Planten, dieren en mensen hebben volgens deze theorie naast hun individuele bewustzijn een gedeeld bewustzijn dat ze gemeen hebben met alle anderen van hun soort. Of met hun familie of stam. Als op een gegeven moment een voldoende aantal individuen iets nieuws heeft geleerd dat gunstig is voor het voortbestaan van de soort, is die kennis van de ene seconde op de andere aanwezig in alle individuen van de soort.’
‘Het klinkt mooi, maar is het ook wetenschappelijk aangetoond?’ wilde Yvette weten.
‘Ja, dit directe weten is wetenschappelijk aangetoond. Onder andere bij een bepaalde apensoort. Toen de honderdste aap of zo had geleerd het zand met water van zijn voedsel te wassen, kenden van het ene moment op het andere alle apen van die soort het trucje, ook apen op andere eilanden waar ze nog nooit iemand voedsel hadden zien wassen.
Goed, Rupert Sheldrake noemt dat een morfogenetisch veld. Dat omschrijft hij als een veld van trillingen, zoiets als een symfonie. Zo’n veld wordt voortdurend in stand gehouden door de individuen die ermee resoneren en andersom. Door te resoneren met hun morfogenetische veld houdt de soort zichzelf in stand en in dezelfde vorm. Morfogenetisch betekent vormscheppend. Daarom zien alle beukenbomen er hetzelfde uit.’
‘Beukenbomen!?’
Dinja lachte verontschuldigend. ‘Nou ja, om een ander soort organisme dan apen te noemen. Ik wil ermee zeggen dat elke soort levend organisme door zijn eigen veld zijn specifieke vorm behoudt.’
‘O, ik dacht... dat komt toch door hun DNA, de genen in hun chromosomen?’ zei Yvette, wier kritische geest altijd overal vraagtekens achter zette.
‘Jaja,’ fluisterde Dinja en ze keek haar glimlachend aan. ‘Zie je wel dat je er meer vanaf weet?’
‘Ja, nee,’ verdedigde Yvette zich. ‘Dat heb ik op school geleerd.’
‘Het klopt wel, maar niet helemaal. DNA levert de bouwstenen, maar het morfogenetisch veld levert de vorm van het geheel, de blauwdruk zou een ontwerper zeggen. De manier waarop onderdelen, eiwitten en zo, aan elkaar geschakeld worden, wordt geregeld door het DNA, maar de constructie van een heel organisme, vanuit één enkele cel of zaadje, wordt bepaald door het morfogenetische veld.’ Dinja wees om zich heen.
‘Een organisme is gewoon veel te gecompliceerd. Al die functies, al die levende biochemie is veel te complex om uit een zielloze, toevallige schakeling van moleculen te kunnen ontstaan.’
‘Dat wil ik wel aannemen, maar wat heeft dat allemaal met dryaden te maken?’
‘Kijk, zo’n morfogenetisch veld heeft een zekere mate van zelfbewustzijn, ís in feite bewustzijn.’
‘Nou en?’ Yvette had nog steeds het antwoord op haar vraag niet.
‘Laat me even nadenken. Het lijkt misschien ingewikkeld, maar het is eigenlijk doodeenvoudig. Als ik de juiste woorden maar weet te vinden.’
Yvette schakelde haar opnameapparaat uit. ‘Nog wat thee?’
Dinja knikte, ging staan en rekte zich buiten de tent omstandig uit. ‘Wel klein, hoor, zo’n tentje.’
‘Je had ook in het pension kunnen blijven slapen,’ zei Yvette.
‘Ja, maar dat leek me veel te druk. Het is hier zo vredig.’

In het dorp had Olga Jellisek, de voorzitster van de Slowaakse Milieufederatie, groot alarm gegeven. Ze had alle actievoerders in het pension bijeen geroepen. Van Michaëls oude kamer, de grootste van het pension, was een provisorisch hoofdkwartier gemaakt, dat nu afgeladen was.
Olga klopte met een leeg kopje op de tafel. Het geroezemoes stierf langzaam weg.
‘Mannen,’ zei ze, hoewel er ook enkele vrouwen bij waren, ‘het is een gedenkwaardige dag geweest. De fabriek is afgelopen nacht zonder enig weerstand van de kant van de eigenaars door ons bezet. Vandaag hebben we ons kunnen verheugen in een ruime belangstelling van de pers en het ziet er naar uit dat we een halt hebben kunnen toeroepen aan de vergiftiging van het woud in het dal. Ons doel is voorlopig bereikt, maar ik voorspel jullie dat we nog heel wat zullen meemaken voordat deze fabriek voorgoed gesloten is. De komende nacht zullen we de wacht moeten houden. En dan bedoel ik: full alert. Ik heb op deze kaart...’ ze wees naar een flipover waar ze de situatie in het dorp op had geschetst, ‘aangegeven waar wachtposten moeten komen.’
Ze keek de aanwezigen ernstig aan. ‘Bereid je voor op een gewelddadige actie van de kant van de fabriekseigenaars.’
‘Gewelddadig? Waar ben je precies bang voor?’ werd er gevraagd.
Olga keek de kring rond. ‘Een knokploeg,’ zei ze kort.
De aanwezigen verwerkten dit in stilte. Sommigen keken ongerust naar elkaar, anderen knikten dat ze dat ook al hadden bedacht.
‘Wat doen we als ze gewapend zijn?’ vroeg er eentje benauwd. ‘Ik bedoel, denk je dat ze vuurwapens hebben?’
‘Reken maar op een paar jachtgeweren, een enkel pistool en verder vooral knuppels en kettingen,’ somde Olga droog op.
De actievoerders keken elkaar ontsteld aan. Op vuurwapens hadden ze niet gerekend.
‘Wat kunnen we daar tegenover stellen?’ werd er gevraagd.
‘Ja, als ze gaan schieten, ben ik weg,’ riep er eentje.
‘Schijnwerpers, megafoons en videocamera’s,’ antwoordde Olga. ‘Denk aan het grote voorbeeld van Greenpeace. Probeer alles te filmen en laat je vooral niet bang maken. We hebben onze eigen cameraploeg en er gaan een paar persmensen met camera’s mee. Probeer de aanvallers te verblinden en vertoon je in het begin niet. Maak zoveel mogelijk lawaai met die megafoons en roep ze toe dat ze gefilmd worden.’
Dat klonk beter. Na nog wat vragen en antwoorden verdeelden de actievoerders zich over de plaatsen die Olga op de flipover had getekend en schreven hun namen erbij. De meesten verdwenen daarna meteen naar buiten.
‘Verwacht je echt een gewapende knokploeg vannacht?’ vroeg Stefan, de milieuexpert van de Slowaakse Dienst Waterbeheer. Hij was met de laatste trein teruggekomen uit Zilina, waar hij monsters van de ladingen chemisch afval in de bezette fabriek naar het laboratorium had gebracht.
Olga keek hem gefronst aan. ‘Jij dan niet? We hebben gisternacht de boel zonder slag of stoot in kunnen nemen, maar de twee arbeiders die we vanochtend hebben weggestuurd zullen heus wel verslag aan hun bazen hebben gedaan.’
Stefan haalde zijn schouders in een onzeker gebaar op.
‘Denk niet dat ze de fabriek zonder slag of stoot overgeven,’ zei Olga met grote nadruk. ‘Dit is geen gewoon, netjes bedrijf van oppassende burgers. Dit zijn harde jongens die zonder gewetensbezwaren een natuurgebied vergiftigd hebben.’
‘Er is veel geld gemoeid met het wegwerken van chemisch afval,’ viel een ander haar bij. ‘Zo’n lucratief zaakje als dit fabriekje zullen ze niet zomaar opgeven. Het ligt afgelegen en toch goed bereikbaar aan een spoorlijn...’
‘Ja, als die kinderen me er niet op attent hadden gemaakt, waren we dit bedrijf nooit op het spoor gekomen,’ bracht Wenceslas in.
‘Jij bent toch de arts die ontdekt heeft dat dat kleine meisje aan vergiftigingsverschijnselen lijdt?’ vroeg iemand. ‘Die Nederlandse kinderen logeerden toch in dit pension toen de fabriek nog werkte?’
Wenceslas knikte: ‘Ik zie ze nog mijn polikliniek binnenkomen, onder de modder en bloedkorsten.’
‘Dat ze onderweg naar Zilina die lawine overleefd hebben mag een wonder heten,’ meende Olga.
‘Toch dapper van die jongen om een busje te pikken om zijn zusje naar een ziekenhuis te brengen,’ zei een ander bewonderend.
Een mobieltje op de tafel trilde en begon rond te draaien.
‘Dat zullen de wachtposten op de weg naar Jablun zijn,’ mompelde Olga en las het smsje.
‘Staan ze daar wel goed verborgen?’ vroeg een man bezorgd die net binnen was gekomen om een schijnwerper op te halen.
‘Ja, op een pad in het bos,’ stelde Olga hem gerust. ‘Bij de fabriek alles oké?’
De man knikte. ‘Onze camera staat op het platte dak van het transformatorhuisje opgesteld. Ik ga er straks weer heen als ik wat gegeten heb. De verslaggevers hebben strategische plaatsen uitgezocht vanwaar ze een goed zicht hebben.’

In het kamp onder Diana’s boom had Dinja bedacht hoe ze haar inzichten beter onder woorden kon brengen.
‘Neem nou dit woud,’ leidde ze haar betoog in. ‘Elke boom die er deel van uitmaakt heeft een individueel bewustzijn. Alle individuele bewustzijnen van een bepaalde boomsoort maken deel uit van het morfogenetisch veld van die speciale boomsoort. En het totale woud heeft weer een geheel eigen morfogenetisch veld, een bosbewustzijn dat op deze plaats is ontstaan in de loop van het bestaan van dit woud. Dergelijke ‘collectieve bewustzijnen’, met name van boomsoorten en oude bossen, kunnen door gevoelige mensen waargenomen worden als een energievorm. Ik denk dat zulke energieconcentraties onze dryaden zijn.’
Ze zweeg triomfantelijk. Het deed haar machtig veel plezier om sprookjeswijsheid, haar eigen helderziendheid en de meest geavanceerde wetenschappelijke theorieën samen te voegen tot een begrijpelijk concept.
‘Ik snap het nog niet helemaal.’ Yvette wist niet van ophouden. ‘Jij zegt dat je een morfogenetisch veld kunt zien als een persoon? Je bedoelt toch dat een dryade een persoon is?’
‘Een wezen, ja, met bewustzijn, dat een vorm heeft en dat een verzorgende taak uitvoert.’
‘Bedoel je soms deva’s?’
‘Deva’s is een verzamelnaam uit het Sanskriet voor ver geëvolueerde natuurgeesten, ook wel godinnen genoemd,’ zei Dinja verrast. ‘Wij noemen ze soms elementalen, maar er zijn enorme verschillen in bewustzijnsniveau.’
‘Dus een dryade is...?’ vroeg de Française.
‘Die zou je een boomdeva kunnen noemen.’
‘En een bosdeva?’
Dinja keek om zich heen. ‘Die zou je ook een dryade kunnen noemen.’
‘Wat is het verschil?’
‘Een boomdeva zou je het veld van de boomsoort kunnen noemen, net als de deva van de erwten of die van die apen. Een bosdeva is beperkt tot het veld van één bepaald bos, met alle soorten planten, bomen en dieren die daar deel van uitmaken.’
‘En elfjes?’
‘Ik denk dat elementalen met een ver ontwikkeld zelfbewustzijn zich een vorm aanmeten waardoor ze lijken op hoe mensen zich elfjes voorstellen,’ zei Dinja bedachtzaam.
Ze moest daarbij denken aan haar romantische dochter Irina, die dryaden zag in de vorm van elfjes.
‘De vraag is dan,’ vatte Yvette bedachtzaam samen, ‘of elementale wezens een vorm van zichzelf hebben of een vorm uit de materiële wereld nabootsen.’
‘Ik heb begrepen dat ze zich vormen naar de verwachting die wij, mensen, van ze hebben.’
‘Dat is toch onlogisch?’ zei Yvette. ‘Waarom verwachten wij gevleugelde jongetjes of meisjes te zien? De vorm van elfjes moet toch ergens vandaan komen? Ergens begonnen zijn?’
‘Dat beeld is misschien wel naar ons beeld van de engelen, Yvette,’ zei Dinja zachtjes. ‘Die zijn geschapen.’
‘Hm. Oké, engelen en deva’s en alles, het universum, mens, dier, ster, energie, alles is door God geschapen. Daar ben ik mee opgevoed, dat ervaar ik ook zo. Maar volgens mij is ons beeld van engelen door kunstenaars geschapen.’
‘Dan zouden de verschijningen van elementalen in de vorm van elfjes en kobolden en dergelijke ook gebaseerd zijn op de beelden die kunstenaars daar ooit van bedacht hebben?’
Yvette knikte heftig bij Dinja’s woorden.
‘Maar hoe komen díe dan aan hun beelden?’
‘Ik denk dat de eerste kunstenaars, de eersten die engelen hebben afgebeeld, zich lieten leiden door wat vertellers, barden, minstrelen en dergelijke aan beeldtaal gebruikten. Daar lieten ze dan hun eigen fantasie op los. Later namen ze het van elkaar over. Werd het zelfs cultuurgoed, van moeder op dochter, meester op leerling doorgegeven. Zoiets.’
‘Toch verklaart dat niet voldoende hoe zulke beeltenissen ooit ontstaan zijn,’ vond Dinja. ‘Ik denk dat er nog iets meespeelt. Je weet misschien dat veel dieren en insecten zich onzichtbaar kunnen maken door op iets anders te lijken...’
‘Zoals een wandelende tak?’
‘Precies! Stel nou eens dat mensen heel vroeger elementale wezens konden zien. Maar als die nou niet gezien wilden worden zouden ze zich kunnen vermommen, bijvoorbeeld aardwezens als stronken of kromme takken of keien, zoals we gnomen afbeelden. Bloemendeva’s zouden zich als bloemen of vlinders vermomd kunnen hebben, najaden als lichtflitsen of libellen.’
‘Ja,’ zei Yvette bedachtzaam. ‘Dat zou natuurlijk de oorsprong van onze beelden kunnen zijn. Zo heb ik er nog nooit over nagedacht. Het klinkt logisch. Als een verteller dergelijke beelden bij zijn luisteraars kon oproepen, dan zouden beeldend kunstenaars die zonder meer hebben kunnen gebruiken. Iedereen zou die beelden onmiddellijk herkennen.’
Ze zaten stil te overdenken hoe ze van voedsel wassende apen op God en kunst waren uitgekomen.
‘Ik denk dat we maar eens moesten gaan slapen,’ zei Dinja.
Een beetje onwennig maakten de twee vrouwen een bed in de nauwe tent, trokken een teveel aan kleren uit en probeerden elkaar zo min mogelijk aan te raken onder de open geritste slaapzak.
 

Hoofdstuk 2

Een elfje vertoont zich


Michaël kwam uit een diepe slaap terug in de wereld. Hij lag een tijdje omhoog te kijken, zich afvragend wat hij kon hebben gehoord. Het hier en daar glanzende gebladerte stak zwart af tegen de maanverlichte hemel.
Hij had het warm en schoof de slaapzak van zich af. Glimlachend in de stille nacht lag hij dwaas blij te wezen. Het was een wonderdag geweest. Alles was gelukt: hun reis, het sluiten van de fabriek, het omleggen van de beek. Irina had eerder vanavond misschien elfjes opgeroepen...
Terwijl zijn lichaam rustte, was hij zich scherp bewust van het bos dat om hem heen stond als de vertrouwde wanden van zijn slaapkamer. Het was rumoerig. Niet dat er geluid was; het was zelfs volkomen stil. Geen blad bewoog in de lome nachtlucht. Maar er was een komen en gaan van... ja, van wat?
Hij verbeeldde zich dat de bomen nog onrustig met elkaar napraatten over de invasie van zoveel mensen. Dichterbij voelde hij een soort opgeluchte tevredenheid, een boomachtig, groen gevoel van bestendigheid, van groei, aarde, water, lucht en licht. Hij voelde zich gekoesterd en bemind. Zijn mannelijkheid stond er strak van overeind.
Hij herkende die koestering van toen hij klein was.
De herinnering verdiepte zich.
Hij had gespeeld met kinderen die niets zeiden, maar die hij toch kon verstaan. Speelkameraadjes die zomaar verschenen en net zo plotseling weer verdwenen. Dat vond hij toen heel gewoon.
De beelden kwamen helder en levendig terug. Hij wist nog dat zijn ouders vonden dat hij fantaseerde. Ze zeiden dat er in de wijde omtrek geen andere mensen waren, laat staan kinderen die in hun blootje liepen net als hij. Maar toch speelden ze de hele dag met hem in de warme ondiepten van een rivier. Hij was toen drie, vier...? Of waren ze er vaker geweest? Eerder al?
Het leek wel of zijn herinnering twee kanten op ging, naar vage belevenissen nog van voor hij zich heugen kon en tegelijk naar toen hij ouder was en al kon schrijven. Hij had een keer aan zijn oma geschreven over de kinderen waarmee hij de hele dag speelde. Hij zag ze weer voor zich. Ze hadden zwarte ogen en waren vlug als water.
Dat waren najaden, zei een stem in zijn hoofd. Onze verwanten van de beken en rivieren. Wij waren er ook, wij waren de groene.
Met een ruk ging hij overeind zitten. Ja, hij wist het weer! In de bomen zaten groenachtige kinderen. Ze speelden samen aan de voet van een veelstammige boom.
Dieper en dieper zakte Michaël in zijn herinneringen. Levendig als filmbeelden beleefde hij zijn kleinejongenstijd opnieuw, ervoer weer de onvoorwaardelijke overgave aan het magische. Hij rook weer de geur van paddestoelen, levend hout en een onbeschrijfelijke frisheid toen hij ontdekt had dat hij in de boom kon komen via een hol tussen twee massieve wortels.
Hij zag het voor zijn geestesoog zoals hij het toen beleefd had. Het leek net of hij tussen twee boomdikke houten benen in de schoot van een reuzin was gekropen. Hij was er in slaap gevallen.
Ik ben bij jou gaan wonen, zei de stem, toen je bij mijn boom in jouw moeder ontkiemde, omdat wij jou uitkozen om het woud te behoeden. Elk jaar kwam je er terug en was je weer wat gegroeid. Toen je in de boom zat hebben we het ... bezegeld.
Het laatste woord was niet helemaal juist, maar er was geen ander voor wat bedoeld werd; hij begreep het zo ook wel.
Het was een vanzelfsprekende opdracht geweest. Natuurlijk zou hij het woud beschermen, hij was toch een dappere ridder? Hij had zich als herboren gevoeld toen hij uit de boom was gekropen, vol kracht, vol van zijn opdracht.
Michaël droomde weg op zijn varenbed, naar de laatste van die reeks heerlijke zomers. Zijn twee zusjes, kleuters nog, hadden hem overal gevolgd. Ze speelden net als hij met de stille kinderen in de warme zwinnen van de stroom.
Hij was zo verschrikkelijk bedroefd geweest toen hij weer naar school moest. Hij zag zich nog staan op de oever. Zijn ouders riepen dat hij op moest schieten.
Er was een kind naar hem toe gekomen dat hem omhelsde.
In zijn trance liepen de tranen uit Michaëls ogen van het herleefde verdriet.
Ze waren daarna nooit meer terug geweest. Zijn ouders waren dat jaar voor de eerste keer uit elkaar gegaan, zijn hele wereldje was toen op zijn kop gezet. Hij had dat voorvoeld, het meisje ook dat zich aan hem vastklampte.
Het kwam allemaal in een vloedgolf terug. Hij had haar willen troosten en stijf tegen zich aan willen drukken om niet weg te hoeven, zij had hem omstrengeld met illusies van armen en benen om niet van hem gescheiden te worden. Maar ze was niet echt geweest, hij had haar niet kunnen vasthouden. Ze was opgelost in lichtflitsen die van het golvende water tegen de bladeren van de boom kaatsten.
Het gevoel van haar aanwezigheid bleef toen hij zijn betraande ogen weer opendeed. Verbaasd zag hij dat ze er nog steeds was, dicht tegen hem aan. Hij droomde toch niet?!
In een impuls aaide Michaël, licht als een veertje, het wezentje dat op haar buik op zijn buik lag. Hij kon haar voelen! Hij voelde de welving van haar kleine achterste. Fluwelig en meegevend, als een ballonnetje. Haar vleugels durfde hij niet aan te raken. Die had ze toen niet gehad. Het gezichtje was niet goed waar te nemen, het veranderde te snel en was één en al zwart oog.
‘Ben jij nu mijn verbeelding of ben je het echt, mijn vriendinnetje van toen?’ fluisterde hij, ademloos van verwondering.
De verschijning trilde even, schemerde en was verdwenen.
Michaël knipperde verbluft met zijn ogen.
Deze keer was er echter niet het bodemloze verdriet, de wanhoop voorgoed van iemand gescheiden te worden die hem intens liefhad, die hij zo beminde dat zijn hart te groot was voor zijn borst. Maar de echo van het hartverscheurende afscheid van toen huiverde wel door hem heen en riep zijn jarenlang weggemoffelde verlangen naar zijn jeugdvriendinnetje op. Zijn zwellende hart smeekte dat ze terug zou komen.

 

©Esmas - Easy Site Management System [v0.1] - Verwegen Webdevelopment™