De Dryade van het Woud in het Dal van Bran leeft in symbiose met het zevenjarige meisjeDiana. Samen voeren ze strijd om het woudte redden. Diana’s broer Michaël helpt waarhij kan. Zijn verdriet om het verdwenen elfje Dia, met wie hij één dag gelukkig was, ondermijnt echter zijn kracht.
De eigenaars van de giffabriek wenden al huninvloed op het landsbestuur aan.De regering stuurt eerst de Geheime Dienst, daarna het leger om de actievoerders te verjagen.
De strijd lijkt verloren. De kinderen verbergenzich in een grot. Het woud wordt zich bewusten probeert de commando’s te weren.
Michaël valt in een grot en dreigt te sterven.Wat doet het elfje Dia?
De twee helden knipperden tegen het scherpe licht toen ze uit de mobiele studio op het stationspleintje naar buiten kwamen. Het duurde even voordat ze de wachtenden herkenden.
‘Ann!’ Irina liep verheugd op de glimlachende Amerikaanse verslaggeefster af.
‘Pap?’ stamelde Michaël.
Als door de bliksem getroffen stond hij in de felle zon, nog helemaal in de sfeer van de opnamen.
Het was geweest als had hij naar een film over zichzelf zitten kijken. Hij had het hele verhaal rondom het Elfenwoud in geuren en kleuren ingesproken. Vanaf het begin, met de ontdekking dat zijn zusje Diana verbonden was met een boom in het woud. Dat zij ziek werd als haar boom ziek werd van de lozingen van chemisch afval. Over de bezetting van de fabriek door de Slowaakse Milieufederatie had hij weinig weten te vertellen, maar des te meer over de redding van Diana toen ze dreigde te stikken.
Hij had zelfs iets losgelaten over het elfje Dia, zijn geliefde en grootste geheim, hoe ze zichtbaar was geworden en onverklaarbaar was verdwenen.
Irina en hij hadden aan het eind uit de school geklapt over hun avontuur de afgelopen nacht.
Ze hadden opgewonden verslag gedaan van hun tocht door de bergen met de ecoloog Johan. Die had het aangedurfd een rotswand op te blazen om de rivier de Iboc af te dammen waar die overliep in de Bran, zodat die weer zuiver door het woud zou stromen.
Die man die daar schutterig tegen hem stond te lachen paste er totaal niet in.
Met moeite bedwong Michaël zijn impuls om naar Ann en Irina toe te gaan en de vreemde te negeren. Hij gaf hem toen maar een hand zoals je een kennis tegemoet treedt.
‘Dag, ben je eindelijk weer terug in Branoc˘s?’ Het vertrouwelijke ‘Pap’ kon hij niet over zijn lippen krijgen.
De pijnlijke blik in de ogen tegenover hem maakte hem duidelijk dat zijn vader het verwijt had begrepen. Afstandelijk keek Michaël hem aan. ‘Heeft Stefan je weten te bereiken?’ vroeg hij op zakelijke toon.
‘Wie? Stefan? Ik... wat bedoel je? Ik ben net weer vrij.’
Wat zijn vader hem probeerde te zeggen ging langs Michaël heen, zijn opgekropte verontwaardiging nam hem teveel in beslag.
‘We hebben je elke dag proberen te bereiken toen Diana ziek werd. Gelukkig hebben we hulp gekregen van een heleboel aardige mensen,’ zei hij verwijtend. ‘Ik ben zelf naar het ziekenhuis gereden, want er reed geen trein meer door het noodweer.’
Michaël zag dat het groepje rond Ann naar hem stond te kijken. ‘Ik vertel je er straks wel meer over,’ zei hij haastig. ‘Het gaat nu weer goed met Diana doordat we de giffabriek hebben gesloten en de grond bij haar boom doorspoelen met schoon water. Maar ze was bijna gestikt. Met Lucy en Wendy gaat het ook goed. Ze zijn bij Diana in het woud, daar kamperen we allemaal,’ ratelde hij door. ‘Maar als je me wilt excuseren, ik zit midden in een actie voor de redding van het Elfenwoud, ik moet even met die mensen overleggen. Loop maar met me mee, dan zal ik je voorstellen. Dit is Irina, een goede vriendin. We hebben samen heel wat beleefd met lastige toeristen en dronken jagers uit Oostenrijk.’
Hij wist dat hij koud overkwam, helemaal niet als de zestienjarige onzekere knaap die zijn vader nog maar een paar weken geleden in het verregende dorpje Branoc˘s had achtergelaten, met zijn drie zusjes onder zijn hoede. Hij kon er niets aan doen. Er zat een schil om zijn hart wat zijn vader betreft.
‘Je bent wrokkig, Miche. Niks voor jou,’ fluisterde Irina in zijn oor nadat ze de onbekende man een hand had gegeven. ‘Het doet mij ook pijn!’ voegde ze er beschuldigend aan toe.
Haar afwijzing van zijn houding tegenover zijn vader kon hij er niet bij hebben. Hij stikte bijna van de losbrekende emoties. Verlamd door zijn innerlijke strijd en verblind door uitbarstende tranen stond hij op het plein voor het stationnetje, met zijn vuisten gebald, te hyperventileren en te zweten.
Janos hield Ann tegen die naar hem toe wilde.
‘Laat hem het zelf uitvechten,’ fluisterde hij. In zijn ogen was deze confrontatie noodzakelijk voor het herstel van de verhouding tussen de vader en de zoon.
Verbijsterd zag de vader hoe de koele jongen, die hij niet als zijn zoon kon herkennen, voor zijn ogen brak en hartverscheurend begon te hijgen en te janken. In zijn betraande ogen las hij het verwijt van de zoon die zijn vader kwijt was.
Het maakte iets fundamenteels in hem wakker. Iets wat misschien vadergevoel genoemd kan worden. Zonder er bij na te denken sloeg hij zijn armen om Michaël heen en trok hem tegen zich aan. En ondanks het ongewone van zijn vaders gebaar liet Michaël zich zonder tegenstribbelen omhelzen.
De verzoening was aangevangen, het ijs was gebroken, maar er zou nog veel uitgepraat moeten worden.
Verlegen en moe van de emoties maakte Michaël zich los uit de armen van zijn vader. ‘Dag pap,’ herhaalde hij zijn begroeting, nog amper bij adem en licht in zijn hoofd door de overmaat aan zuurstof van het hyperventileren. Hij wreef zich in zijn ogen, zocht een zakdoek om zijn neus te snuiten, haalde hem maar snorkend op toen hij niets in zijn zakken aantrof. Met zijn mouw veegde hij zijn gezicht en neus af en ging, om zich een houding te geven, door met voorstellen, automatisch overschakelend van het Nederlands in het Duits en Engels.
‘Eh, dit is Janos, de dokter die heeft ontdekt dat Diana ziek is doordat haar boom vergiftigd werd, Irina heb je al gezien, ze is ook helderziend en deze dame is Ann. Ze is een Amerikaanse journaliste. Diana kampeert in het woud, onder haar boom, met Wendy en Lucy en Dinja, een collega van Janos, en Yvette, een Franse journaliste.’
‘Irina is Dinja’s dochter,’ voegde Janos er aan toe. ‘U heeft een fantastisch kordate en begaafde zoon, mijnheer.’
‘Eh, ja, eh m... noem me toch Herman,’ stotterde die.
‘Oké, Herman dan. Michaël heeft zich de laatste week ontpopt als de beroemde broer van Diana, die tevens een dryade is.
Dit hele circus draait in feite om hem, al zijn Diana, haar Elfenwoud en de giffabriek achter u de onderwerpen waar het om gaat.’
Het duizelde Herman. Hij was de vorige avond pas terug gekomen in zijn hotel na een hachelijk avontuur in het onderlopen grensgebied met Hongarije. Met zijn gebrekkige kennis van het Slowaaks had hij nauwelijks iets verstaan van een televisie-uitzending waarin tot zijn verbijstering Diana en Michaël hem recht aangekeken hadden. Hij had alleen begrepen dat het zich in het dorpje afspeelde waar hij zijn kinderen had achtergelaten. Hij had de eerstvolgende trein genomen en was net een paar minuten gearriveerd toen zijn zoon uit die oplegger stapte.
Janos was een beetje pissig op die vent, die een zoon had als Michaël en de jongen zo verwaarloosd had. Tegelijkertijd besefte hij dat het noodzaak was geweest. Michaël moest op dit cruciale moment op zichzelf terug geworpen worden om volwassen te worden. Geheel op eigen kracht, met hulp van zichtbare en onzichtbare vrienden.
Janos berispte zichzelf om zijn wrokkige houding tegenover de vader. Hij was gewoon jaloers dat Miche zijn zoon niet was.
Hij grinnikte. Zo kende hij zichzelf weer.
‘Herman,’ zei hij op een vriendelijker toon, ‘het is misschien voor jou het makkelijkst als je straks meegaat met de excursie. Er komen een stuk of tien verslaggevers naar Diana en haar boom. Michaël gaat ze daar het hele verhaal vertellen, dan heb je in één keer op een rijtje wat er gebeurd is en wat er nog te gebeuren staat. Het is misschien beter als je voorlopig incognito blijft, anders vallen de persmuskieten direct over je heen.’
‘Ja, dat lijkt me inderdaad het beste,’ stamelde Herman.
‘Kom, we gaan.’ Janos verzamelde als een reisleider zijn mensen om zich heen. ‘We hebben nog heel wat te doen voor de pers er is.’
Het groepje zette zich in beweging in de richting van de brug waar het pad langs het riviertje naar het woud begon. Irina had haar ene arm in die van Janos gehaakt en de andere in die van Michaël, als om hem te beschermen. Michaël liep mechanisch mee, nog geheel verdwaasd, op de voet gevolgd door zijn al even uit het lood geslagen vader.
‘Kijk,’ glunderde Janos, de enige die genoot van de drukte, ‘deze beek is alles wat er over is van het riviertje. Gister is er een bergwand ingestort die de bovenloop heeft afgedamd.’ Hij keek daarbij veelbetekenend naar Irina en Michaël.
Ze kwamen langs het scouting kamp en werden onder luide begroetingen door het hek gelaten dat de scouts hadden gebouwd om toeristen uit het woud te houden.
Waar het pad onder de bomen verder ging hield Janos halt.
‘Treed binnen in het Elfenwoud,’ nodigde hij Herman plechtstatig uit. ‘Dit woud is Diana’s thuis.’
Herman zag er uit of hij niet wist hoe hij het had.
Hoofdstuk 2
Gesprekken met de pers
In het kampje onder Diana’s boom keken de drie meisjes op van een spelletje toen Janos riep: ‘Kijk eens wie ik bij me heb?’
Diana zei verbaasd: ‘Ha Papa, ben je er weer? Waar was je toch?’
Wendy en Lucy keken alleen maar en lachten schuw naar hem toen hij hen begroette. Ze wisten zich geen houding te geven en gingen door met hun spel. Ach, ze kenden hem ook nauwelijks meer. Hij was al vijf jaar uit hun leven weg.
Dinja heette Herman welkom met een kop thee. Haar helderziendheid vertelde haar dat de man een rol speelde bij de redding van het woud. Ze zag ook dat Michaël en zijn vader diep in hun hart er naar verlangden bij elkaar te komen. Ze gaf Michaël dus ook een kop thee en plantte hem naast zijn vader neer. De twee zaten een tijdje schuw naast elkaar.
Toen Diana naar Herman toekwam met koekjes kreeg hij zijn stem terug.
‘Dit is... jouw boom?’
‘Ja,’ zei ze en keek met een blik vol liefde omhoog naar de enorme beuk. ‘Maar dat weet je toch nog wel?’ Ze huppelde weg om de anderen ook een koekje te geven.
‘Ik ben hier, geloof ik, al eens eerder geweest,’ zei Herman aarzelend. Hij tuurde in het rond.
Michaël keek gespannen naar het gezicht van zijn vader. Hij wist zeker dat Diana hier verwekt was. Zou Pap misschien meer kunnen vertellen over wat er toen gebeurd was? Toen ze onder de boom...
‘Alleen...’ mompelde Herman en stond op om bij de bedding van het riviertje te kijken. ‘Ik zie het al. Alle bomen langs het water zijn dood. We...’ Met gefronste wenkbrauwen hield hij stil. Er kwamen herinneringen boven die hij lang had weggestopt. Met een hulpeloze blik keek hij om naar zijn kinderen. Ze keken alle vier met ogen vol vragen naar de uitdrukking op zijn gezicht.
Hij schudde zijn hoofd. ‘We konden toen wel het water horen, maar niet zien; door de bomen. Je moeder en ik,’ zei hij hees. Hij keek de tweeling en Michaël een voor een aan. ‘Jullie waren toen niet mee.’ Zijn blik zwierf weer terug naar de kale stammen. ‘Hoe komen die bomen eigenlijk dood?’ vroeg hij.
Michaël keek hem verdrietig aan. Het had even geleken of Herman een geheim zou onthullen, maar hij was weer op slot gegaan.
‘Door giflozingen, Pap. Uit die fabriek aan het spoor. Had je dat nog niet gehoord, dan?’ antwoordde hij mat. ‘Daar werd Diana zo ziek van. We waren bang dat ze dood zou gaan. Janos zag in het ziekenhuis voor het eerst dat Diana ziek werd omdat ze met een boom verbonden was. Dokter Wenceslas had getest dat het door giftige stoffen kwam, maar die zaten niet in haar bloed.’
‘Nee,’ zei Herman onzeker. ‘Dat wist ik niet. Ik moest hier naar je luisteren als de journalisten kwamen, zei die mijnheer.’
‘Janos?’ vroeg Michaël hem.
‘Ja?’ zei diens stem achter hen. Verrast keken ze om.
Stond Janos daar al langer te luisteren? Maar ze hadden Nederlands met elkaar gesproken...
‘Inderdaad, Herman, straks komen hier journalisten naar Michaël luisteren, dan heb je het hele verhaal compleet,’ zei Janos terwijl hij op zijn hurken naast hen ging zitten.
‘Ja, dat zei u in het dorp ook al,’ antwoordde Herman. ‘Ik vertelde Miche dat ik hier eerder ben geweest, met mijn vrouw, acht jaar geleden. Toen zag het er heel anders uit.’
Janos zag er opeens heel grimmig uit. ‘Er is ontzettend veel schade veroorzaakt door de giflozingen van die fabriek.’
‘Wat is er dan geloosd?’ vroeg Herman hem.
‘Dat weten we nog niet exact,’ zei Janos. ‘Maar het was giftig genoeg om alles te doden in en langs het riviertje. Het lozen is nu gestopt, doordat we de fabriek hebben bezet, maar de bedding ligt nog vol met uiterst schadelijk slib. Een heel probleem.’.
‘Ik denk dat ik daar wel een oplossing voor kan vinden,’ zei Herman. ‘Dat ligt op mijn vakgebied. Mag ik het eens bekijken? Hebben jullie chemische analyses?’
‘Natuurlijk!’ riep Janos opgelucht. ‘Kom mee, dan gaan we die meteen even opzoeken, de gegevens liggen in het dorp. Je komt als geroepen. Dan hebben we meteen weer een belangrijk nieuwsfeit waar we de pers mee hier kunnen houden.’
Hij stond op en trok de verbaasde Herman overeind. ‘Michaël, houd je er rekening mee dat we over een uur of zo terug komen met een stuk of tien journalisten?’
Michaël knikte dat hij Janos gehoord had.
De twee mannen liepen druk pratend weg.
Hij keek hen na: de man die zijn echte vader was en de man die hem als een vader hielp. Hij had er gemengde gevoelens over.
‘Diana wil met mij mee naar het scouting kamp,’ kondigde Irina aan. Ze lachte naar het kleine meiske, dat sedert haar bijna fataal geworden benauwdheid een stuk vrijer was in haar bewegingen. Ze verklaarde dat zelf doordat ze de dryade in haar nu beter de baas kon.
Michaël wilde liever een tijdje in het woud rond zwerven, even opladen voordat de meute reporters kwam. De tweeling wilde mee en probeerden Yvette over te halen hen te vergezellen, maar die weigerde haar tent uit te komen. Michaël vond het eigenlijk wel prettiger om alleen met zijn twee zusjes te gaan woudlopen. Achter elkaar aan verdwenen ze langs bijna onzichtbare wildpaadjes, Dinja in het kamp achterlatend.
Die vond het heerlijk om even op zichzelf te zijn en maakte het zich gemakkelijk met een boek; theewater stond in een pan op het gasbrandertje heet te worden, van de Française merkte ze niets.
Haar rust duurde nog geen uur: langs het bijna droge stroompje kwam een rij mensen aanwandelen, voorafgegaan door een huppelende en luid tegen haar vader kwetterende Diana. Ze pakte hem bij de hand om hem alles te laten zien.
Het was duidelijk dat de hele groep in haar ban was.
Er waren wel vijf camera’s op haar gericht terwijl even zoveel geluidsmensen moeite deden hun microfoons vlak bij Diana en toch uit beeld te houden. Janos, een brede grijns op zijn gezicht, sjouwde er op zijn gemak achteraan, vergezeld door een paar jongens en meisjes uit het scouting kamp.
‘Yvette! Zoek jij Miche en de meisjes even op? Ze zijn wandelen,’ siste Dinja naar de Franse journaliste, die vol afkeer naar de rustverstoorders zat te kijken.
‘Miche et les filles,’ herhaalde Yvette. Met tegenzin stond ze op om het bos in te gaan. Ondanks haar verkreukelde en groezelige kleren zag ze er uit om te stelen, dacht Dinja. Als een meisje van twintig.
De journalisten moesten om beurten hun thee drinken uit de paar beschikbare bekers, die Dinja uit de pan opschepte. Halverwege de ceremonie kwamen Michaël en de meisjes uit het woud te voorschijn. De tweeling had Yvette tussen hen in aan de hand. Ze gingen met hun allen aan de voet van de beukenboom zitten, de journalisten in een kring er omheen.
Michaël begon te vertellen. Diana lag geborgen in zijn omarming. Het werd muisstil. Zelfs het woud hield op te ruisen, leek het wel. Zijn verhaal groeide uit tot een sprookje rond het elfachtige kind dat stil tegen hem aan leunde. Hij vertelde dat de tijd was gekomen dat de mensen moesten luisteren naar de intelligenties uit het elementale rijk. Dat die verlangden naar samenwerking om de Aarde te helpen in het nieuwe tijdperk dat begon.
Toen zijn verhaal terug cirkelde naar het gebeuren in het woud kwam Diana’s vrolijke stemmetje er bij. Ze vertelde dat ze weer de baas was over haar lijf en dat de dryade in haar tot rust was gekomen. Ze keek de mensen daarbij vergenoegd aan. ‘Maar mijn boom is nog niet helemaal gezond, hoor,’ voegde ze er met heldere stem aan toe.
‘De wortels hebben nu lucht zodat ik weer kan lopen, maar het water in de grond is nog vies. Maar daar gaat mijn pappa wat aan doen, hè Papa?’
Janos stootte de verbouwereerde man aan en duwde hem naar het midden van de kring.
Zoekend naar de eerste woorden in het Duits begon Herman zijn plan te ontvouwen. Naarmate hij op dreef kwam kon je merken dat het talent voor vertellen bij hem eveneens aanwezig was. Het was een eenvoudig, goed doordacht plan, waarvan de technische finesses echter aan de meeste mensen voorbij gingen. Maar iedereen kon begrijpen dat de bedding van het riviertje schoongemaakt kon worden met waterstralen en borstels, mits het water bovenstrooms werd tegen gehouden en het vuile slib benedenstrooms werd opgevangen.
Zijn presentatie was dermate volledig dat er maar een paar vragen werden gesteld. Onder zachte dwang van Janos gingen de journalisten weer terug naar het dorp om hun opnamen door te seinen.
De tweede excursie journalisten bleek een klein maar gezellig groepje te zijn uit verschillende landen.
Het waren tv- en radiomensen, met een enkele schrijvende journalist, die informatieve series maakten.
Op een aantal dingen wilden ze met deze en gene dieper ingaan. Deze nieuwsgaarders waren niet gejaagd op zoek om elke dag met spannende items te komen. Ze namen er alle tijd voor om een goed onderbouwd programma te maken. Het was leuk om hen te horen vertellen over hun ervaringen en hun programma’s. Michaël en Irina hoefden in het begin weinig te zeggen: Janos was een meester in het verschaffen van de gevraagde achtergrondinformatie.
Ze luisterden aandachtig, want hij vertelde ook dingen die zij nog niet wisten. Zo bleek dat morgen al de eerste feesttenten en sanitair zouden arriveren om de stroom nieuwsgierigen te ontvangen. Het evenementenbureau zette er vaart achter.
‘Wat gaat u doen met de opbrengsten van de attracties?’ vroeg iemand. ‘Ik bedoel, als alles hier gedaan is wat er gedaan moet worden zal de actie nog wel een tijdje doorlopen. Stel dat u geld overhoudt?’
‘Hoeveel wouden en beken zijn er nog om te redden, denkt u, met wanhopige natuurwezens, deva’s, dryaden, gnomen, najaden en hoe ze allemaal ook mogen heten, die al eeuwen wachten tot de mens verstandig met ze omgaat?’ was Janos’ wedervraag. Daarop was het even stil.
‘Is dat echt zo?’ vroeg een ander. ‘Ik kan er nog niet goed aan wennen hoor, elementalen en deva’s en zo. Het is me allemaal nog wat te schimmig.’
‘Je hebt de beelden toch gezien?’ stelde een collega.
‘Ja, beelden, beelden. Je weet net zo goed als ik dat je alle beelden kan maken die je wilt. Kijk maar eens naar science fiction films, die zijn van voor tot achter trucage, maar het lijkt veel echter dan wat we hier hebben gezien.’
‘Ik kan u er geen beelden van laten zien...’ zei Michaël. Hij was een tijd stil geweest, zijn plotselinge opmerking trok de aandacht.
‘...maar ik heb wel een bericht voor u, van het elementale wezen dat de zorg draagt voor het beekje dat we hierheen hebben omgeleid. Het is een bronnimf, u kunt haar ook een najade noemen. Ze heeft een vrouwelijk bewustzijn...’
‘Kunt u zomaar met haar praten?’ werd hij onderbroken.
Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik ontvang soms... gewaarwordingen, die ik dan in woorden moet vertalen.’
‘Gewaarwordingen?’
Michaël keek om hulp naar Janos.
‘Elementale wezens leven in de etherische sfeer en kunnen alleen met mensen op het astrale vlak communiceren, dat is het vlak van het gevoel,’ legde die bereidwillig uit. ‘Taal, woorden, behoort bij de mentale sfeer, het brein, die we met geluidstrillingen in de materiële wereld brengen. Elementale wezens kunnen dat niet. De boodschap die Michaël net beschreef komt als een gevoel bij hem binnen, waar hij zelf de woorden voor moet vinden.’
Michaël knikte, zo was het precies.
‘Etherisch, astraal,’ mopperde iemand. ‘Ik krijg de indruk dat die woorden alleen maar verzonnen zijn om geheimzinnig te doen. Wat betekenen die woorden nou helemaal?’
Opnieuw keek Michaël naar Janos om hulp.
‘Etherisch,’ antwoordde Janos, ‘is een energietoestand die te vergelijken is met wat de meeste mensen als licht ervaren. Helderzienden zien die energie als een soort licht. Het komt alleen niet van de zon of een lamp. Het wordt uitgezonden door levende wezens. Die hoeven overigens niet altijd een materiële vorm te hebben. Zulk etherisch licht vormt zich als een wolk rond een concentratiepunt, omdat het dat wil. Het is daarom bewust licht, zou je kunnen zeggen, met de wil er te zijn, met een zelfbewustzijn. Elk wezen heeft een dergelijk lichtlichaam, dat als blauwdruk dient voor de fysieke verschijning, of dat nou een plant of een menselijk lichaam is. Onze ogen kunnen het niet waarnemen omdat ze beperkt zijn tot het ontvangen van elektromagnetische golven in een heel klein, relatief laagfrequent bereik: van violet tot donkerrood. Elementale wezens hebben alleen een lichaam van zulk bewust, hoogfrequent licht. En wat astraal betekent, ach, er zijn rijen boeken over geschreven, maar we kennen het allemaal: het is gevoel in al zijn vormen. Als ik me lekker voel kan ik dat aan u mededelen zonder dat u me ziet; ook tussen niet helderziende mensen is gevoelscommunicatie de gewoonste zaak van de wereld.’
‘Communiceert u ook zo met uw eigen dryade?’ wendde iemand zich tot Michaël. De man werd aangestoten door zijn buurvrouw die hem iets toesiste. ‘O, neem me niet kwalijk,’ excuseerde hij zich, ‘u eh, heeft nog geen teken van leven van haar ontvangen?’ Michaël schudde zijn hoofd. ‘Met haar kan... kon ik wel praten. Ze gebruikte mijn woorden. Die haalde ze zelf uit mijn brein.’
‘Zit... zat uw dryade in uw brein?’ vroeg de man ongelovig. ‘Is dat niet griezelig? Ik bedoel, een ander wezen in mijn hoofd, ik moet er niet aan denken...’
Michaël schudde verbaasd zijn hoofd. ‘Nee, helemaal niet. Integendeel, ik...’ Hij raakte in de war van deze vraag. Wat hij als een ultieme verbondenheid had ervaren met een wezen dat hem intens liefhad, bleek bij die man angst op te wekken. Voordat hij de gedachte af had kunnen maken ging de man alweer verder.
‘Dus volgens u zijn er om ons heen wezens die we niet kunnen zien?’ De man lachte ongemakkelijk. ‘Maar ze zien ons wel?’
Michaël knikte.
‘Kunnen de bomen ons ook zien? Ik bedoel,’ de man wees in het rond, ‘staan ze nu naar ons te kijken?’ Enkele anderen keken ook om zich heen, een beetje lacherig, maar toch niet helemaal op hun gemak.
Michaël wist het niet. Hij keek naar Janos, of die hem nog een keer wilde helpen.
‘Nou, zien,’ begon die. ‘Ik weet niet of ze daar de moeite voor nemen. U zou het kunnen vergelijken met een drukke stad. Wij zijn hier bezig met een opname en er lopen honderden mensen voorbij, allemaal bezig met hun eigen dingen.’
‘Een enkeling zal een nieuwsgierige blik op ons werpen, maar de meeste mensen lopen langs ons heen. Precies zo zijn de bomen en elementale wezens om ons heen druk met hun eigen zaken.’
‘Ja, dat is een duidelijk beeld, daar kan ik wat mee,’ zei iemand anders tevreden. De vragensteller keek desondanks om zich heen alsof hij bang was voor struikrovers in de bosjes.
‘Wat is de boodschap van de najade?’ bracht een vrouw het onderwerp weer terug op Michaëls aankondiging.
‘O ja, dat was ik aan het vertellen. Ze verzoekt dringend of u voortaan voorzichtig met beekjes om wilt gaan, met de hare in het bijzonder. Dus er niet in graven, er niets in gooien of er met vuile modderpoten doorheen baggeren. Ook langs de oevers moet het ongerept blijven, zelfs de koeien van de boer mogen er niet bij in de buurt komen. Zelfs al het land waarvan het water in het beekje terecht komt moet ongerept blijven. Dan kunt u er altijd uit drinken. Het heeft geneeskracht, levenskracht.’
Het was muisstil geworden, alle apparatuur was op hem gericht.
‘Ik vraag nu uw aandacht voor de bomen en de wouden,’ ging hij zachtjes door, zijn blik inwaarts gekeerd. Hij moest zijn eigen begrip koppelen aan inzichten en binnensijpelende informatie, wat hij vervolgens in woorden, in Duitse woorden nog wel, moest uitdrukken.
‘Bomen en wouden zijn heel gevoelig voor hoe mensen aan ze denken... als er mensen komen die denken aan het kappen van bomen reageren ze daar al op... Hij zweeg secondenlang, maar ze konden zien dat hij nog niet uitgesproken was.
‘Ik zoek de goede woorden,’ verontschuldigde hij zich. ‘Mijn woordenschat is niet zo groot.’
Langzaam vertellend ging hij door, zijn stem zakte af tot gefluister. ‘Bomen zijn de antennes van de Aarde. Ze zenden het lied van de Aarde uit en ze ontvangen de liederen van de sterren en planeten voor de Aarde. Daardoor staan we er niet alleen voor in de kosmos. Bomen en hun deva’s hebben veel wijsheid. Die is voor ons beschikbaar als we willen luisteren,’ ging hij verder. ‘Ze hebben groeikracht voor ons, zeggen ze. Voor onze geest. Ga er maar onder zitten. Als je onder een boom slaapt spreekt die tegen je in je dromen.’
Hij tilde zijn hand op om aan te geven dat hij uitgesproken was. Zijn laatste opmerking deed hem zo sterk naar Dia verlangen dat hij niet verder kon praten.