In het Dal van Bran herstelt het Woudzich langzaam van de vergiftiging.De oude fabriek blijft echter een broeinestvan on- heil. Maffiose organisaties, aangetrokkendoor de kans op geldelijk gewin, proberen eenvoet achter de deur te krijgen.
Michaël krijgt van de geestwezens van hetElfenwoud opdracht op de strijd met hetkwaad aan te gaan. Dat is door mensen gemaakt en kan alleen door mensen weerontmaakt worden.
Geholpen door de trouwe scouts trekken devier kinderen, bevend van angst, het duistertegemoet.
Zoals een buizerd op de thermiek zweeft, zo cirkelde Dia omhoog, haar vleugels breed uitgestrekt, haar armen en benen om Michaël heen. Hij kon de zon door het dunne, kleurige vlies van haar vleugels zien schijnen. Zijn hart barstte bijna van trots en liefde voor zijn beeldschone elfenvrouw. Ze voelde het en zwierde van puur plezier een paar keer heen en weer.
Maak eens een rondje over de fabriek, vroeg hij haar in de geest. De vorige keren hadden ze in het donker gevlogen; hij wilde nu wel eens vanuit de lucht zien waar ze hun leven voor hadden gewaagd.
Dat durf ik niet.
Waarom niet? vroeg hij verbaasd.
Het is zo groot, zo kwaad, zo machtig. Hij voelde haar huiveren.
Michaël keek verwonderd naar beneden. Wat zou ze bedoelen? Zou ze iets zien wat hij niet kon zien?
Wat is er dan? Ik zie niets bijzonders.
Vanuit de lucht zag het fabriekscomplex er verwaarloosd, maar tamelijk onschuldig uit. Een paar aan elkaar gebouwde houten loodsen, het ketelhuis met de hoge schoorsteen, een kantoortje, het transformatorhuisje van het dorp, een roestig spoor waar enkele wagons op stonden en het door onkruid overwoekerd opslagterrein.
En natuurlijk het riviertje, dat in een brede, ondiepe bedding vanaf de schuine dam bij de watermolen pal langs het ketelhuis liep. Van deze hoogte was niets te zien van de milieuvergiftiging.
Ze hadden nou wel een slag gewonnen, bedacht hij zich, opeens somber, maar misschien was er meer strijd op komst. Misschien kwam het echte gevecht op leven en dood nog. Maar hij zou niet weten wat er nog mis kon gaan. De Milieufederatie had een koopcontract voor de fabriek, ze zouden met Pap het riviertje schoon gaan maken, er werd veel geld ingezameld...
Zou er in de fabriek soms een nieuw gevaar loeren?
Niet nieuw, het was er al, maar het kwaad roert zich, zei Dia, die zijn gedachten had gevolgd. Het wordt hongerig.
Moeten we daar dan niet wat aan doen?
Niet nu, niet nu, was haar vage antwoord.
Hij begon iets goors op te vangen dat uit de fabriek leek te walmen, alsof er onnoembare dingen lagen te bederven. Er leek iets levends in de verlaten gebouwen te huizen dat kwaad wilde. Ondanks de warmte rilde Michaël van de dreiging die er van uitging.
Dia cirkelde langzaam hoger en hoger. Aan haar bewegingen merkte hij dat ze het afschuwelijk vond om in de buurt van de fabriek te komen.
Te dichtbij, te dichtbij, verstond hij half.
Pas op grote hoogte kalmeerde ze een beetje. Ze realiseerde zich toen pas dat Michaël niet hetzelfde waarnam als zij.
Kijk maar eens door mijn ogen, liet ze hem weten.
Michaël stemde zich op haar af, maar hij bleef zien wat zijn ogen hem doorgaven.
Doe je ogen dicht, je moet het gewone licht buitensluiten, anders blijf je alleen de materiële buitenkant zien, raadde ze hem aan.
Langzaam vormde zich een beeld in zijn geest van een mechanisch beest, zo groot als een kerk, dat omhoog torende uit het dal. Hij zoog zijn adem in van angstig ontzag. Het onooglijke complex aan de spoorlijn vertoonde zich in de etherische wereld als een monsterachtig gevaarte dat het hele dal domineerde.
Dia, wat is dat in hemelsnaam?!
Zo kunnen scheppingen van mensen er uit gaan zien in onze wereld, als er kwaad op kwaad wordt gestapeld.
Michaël besefte ontsteld dat de strijd inderdaad nog lang niet was gestreden. Als er zulke creaturen konden ontstaan uit de handelingen van mensen, zat de wereld nog veel voller met gevaren dan hij zich ooit had kunnen voorstellen. Moedeloos zuchtte hij; wat kon een jongen als hij daar aan doen? Hij voelde zich machteloos.
Houd moed, mijn lief. Je staat er niet alleen voor. Samen met anderen kun je elk gevaar de baas.
Na deze woorden keerde Dia resoluut en zette linea recta koers naar het diepe keteldal waar het Dal van Bran in doodliep.
Het vliegen in de heldere, levend aanvoelende lucht verjoeg geleidelijk aan alle muizenissen.
Ze vlogen al een heel eind boven het woud en stegen nog steeds. Het dorp lag ver achter hen, voor hen stak een bergkam scherp af tegen de blauwe hemel. In de met gouden licht gevulde kom temidden van de bergen waren zij de enigen in de lucht. De helikopters van de politie en van een tv-ploeg werden omwille van hun veiligheid zolang aan de grond gehouden.
Hoe hoog kun je? vroeg Michaël, die benieuwd was hoe ver de vermogens van Dia reikten.
Na enige aarzeling bekende haar stem in zijn geest: Ik weet het niet.
Misschien kan ik wel naar de maan vliegen als ik zou willen.
Haar laconieke antwoord schokte Michaël. Zo ver had hij nou ook weer niet bedoeld.
Maar dat is veel te koud! En er is daar geen lucht!
Hij schurkte zich dichter tegen haar warme wilgenkatjesvel.
Ze reageerde door hem vaster tegen zich aan te drukken.
Ja, jij hebt lucht nodig, zuurstof. Ik niet, kwam na een tijdje haar reactie op zijn uitroep. Dia moest nog zo veel leren over haar nieuwe staat van zijn, dat ze tijd nodig had om zich te realiseren wat ze wel en niet kon.
Maar warmte hebben we allebei nodig. Er was een spoor van spijt in haar mededeling. Ik ben nu van levend materiaal.
Lekker toch, om een echt lijf te hebben? vond Michaël.
Toen gebeurde er een nieuw wonder. Ze maakte een halve rol en ging midden in de lucht op haar rug vliegen, zodat Michaël tot zijn grote verrassing boven op haar kwam te liggen.
‘Wat doe je nou!?’ riep hij hardop. Ze lachte in zijn hoofd.
Even lag hij, overmand door de beleving naar de wolkenloze hemel te kijken. Toen draaide hij zich voorzichtig om teneinde haar gezicht te kunnen zien. Dat straalde van de pret om wat ze had uitgehaald.
Het voelt net als op een luchtbed in het water waarbij je niet nat wilt worden, schoot het door hem heen. Dia pikte zijn associatie op en begon als een luchtmatras te golven.
Dat had zo’n erotische werking, dat ze honderden meters boven het woud met lichaam en ziel in elkaar opgingen.
Het vrijen midden in de lucht deed hem alle voorzichtigheid uit het oog verliezen; angst voor hoogte of voor vallen kende hij niet. In de omsluiting van Dia’s armen en benen had hij de gewaarwording dat hij zweefde, los van haar, los van alles, alleen in het midden met haar verbonden.
Zijn extase was volledig.
Toen hij weer een beetje was bijgekomen liet hij zich vredig koesteren in Dia’s omstrengeling. Hij begreep dat ze met haar veel grotere bewustzijn kon blijven vliegen, terwijl ze toch helemaal met hem kon opgaan in hun ‘luchtkussen’ vrijage.
Ze grinnikte in zijn geest toen ze de woordspeling begreep.
Hoe doe je dat toch? mijmerde hij. Hoe houd je ons eigenlijk zwevend? Jij hebt nu een vast lichaam en van mij zijn er toch nog wel een paar kilo over, ondanks dat je me verdund hebt.
Het was even stil. De vraag had haar verrast: iets wat ze gewoon dééd, bleek toch niet zo gewoon te zijn.
Ik kan het je niet precies uitleggen, was uiteindelijk haar conclusie. Ik verplaats me omdat ik dat wil, dat heb ik altijd zo gedaan. Maar sinds ik een lichaam heb, gebruik ik mijn vleugels er bij. Dat is een fijn gevoel. Ik drijf op de opwaartse druk van de lucht. De sylfen helpen me, ze dragen me, ook als ik ondersteboven vlieg. Ik denk dat het me zonder hun hulp niet zou lukken om ons beiden de lucht in te krijgen.
Sylfen? Wat...
Luchtwezentjes, dat weet je toch. Maar nu moet je even stil zijn.
Wat is er dan?
De sylfen brengen me boodschappen. Ik heb niet opgelet. Ze proberen al een tijdje mijn aandacht te trekken.
Ze veranderde haar koers, zodat ze nu in een rechte lijn naar de bergkam voor hen vlogen. Ze draaide Michaël met enige moeite weer met zijn rug naar haar toe en kantelde terug naar haar normale vlieghouding. Verbaasd liet hij haar begaan, een beetje teleurgesteld dat ze zo’n abrupt einde maakte aan hun genoeglijke onderonsje.
Hij merkte toen pas dat Dia naar beneden cirkelde in een hem onbekende vallei.
Wat ga je doen?
Geen antwoord.
Hé, wat ben je aan het doen?
Landen.
Ja, dat zie ik, maar waarom en waarom hier?
Er was iets aan de hand; Dia was anders nooit zo afwezig.
Wacht nou maar af. Ik ben zojuist opgeroepen om hier te verschijnen. Het is niets om bang voor te zijn, maar er zijn dingen gaande waar je wat aan moet doen.
Dat stelde hem alles behalve gerust. Ik? Waarom moet ik dat doen?
Omdat alleen een mens mensendingen kan wegmaken. Jij bent de enige mens die beschikbaar is.
Ze streek gehaast neer naast een beekje.
Wat is er toch aan de hand met je?
Hij ging staan en keek Dia gepikeerd aan. Hij was nog niet eerder zo ruw op handen en knieën neergepoot. Ze had altijd haar best gedaan om hem bij het landen zwierig op zijn voeten te zetten.
Dia gebaarde dat hij moest zwijgen. Balorig liep hij bij haar vandaan.
Dit werkt zo niet, verzuchtte ze. Je blokkeert iets urgents dat door probeert te komen naar deze plek. Ga maar op de grond liggen, hier bij mij, dan zing ik je in slaap.
Ik heb geen slaap, en wat werkt er niet?
Toe nou. Ik.... Ze zocht naar woorden om hem iets duidelijk te maken, iets wat ze zelf ook niet helemaal begreep. Er was een toenemende druk op haar bewustzijn, die haar vermogen om woorden te spreken vertroebelde.
Onmachtig uit te drukken wat er zo dringend was, verliet ze het pad van de mensenspraak en reikte naar Michaël op de elementale wijze, direct naar zijn gevoel.
Haar overredingskracht was sterker dan zijn gemok. Gedwee strekte hij zich uit op de warme grond, legde zijn hoofd op zijn armen en viel prompt in slaap op haar zachte geneurie.
Hoofdstuk 2
Ontmoeting met geestwezens
Michaël droomde dat hij voorover op het gras lag. Onder zich voelde hij de aarde: weerbarstig waar rotsen bijna door de zode heen staken, zacht en ontvankelijk waar klei en veen de holten opvulden. Om zijn hoofd en op zijn huid voelde hij de wind die met zijn haar speelde en geuren en geluiden aanvoerde. Op zijn rug en handen voelde hij de warmte van zonnestralen, door de luchtlagen boven hem getemperd en overgedragen. Zijn voorkant werd langzaam nat van het water dat optrok uit de sponzige bodem. Hij hoorde ijle muziek aanzwellen en werd zich bewust van een groeiend gezelschap om hem heen.
Zoals in een trage overvloeier van het ene filmbeeld naar het andere, zo werden ze zichtbaar: handlange feetjes die rond de bloemen in de zon zweefden, kniehoge aardwezens die in de schaduw tussen enkele nieuwsgierige konijntjes stonden, een paar lange faunen die onder de kronen van hun bomen bewogen. Vogels streken neer op takken en kwetterden tegen elkaar; in de azuurblauwe hemel lieten cirkelende arenden hun hoge schreeuw horen. Enkele gemzen stapten uit het lover tevoorschijn en bleven bewegingloos staan. Aan de overkant zat een vos, zijn staart om zich heen geslagen.
De bomen begonnen te ruisen.
Transparante, gevleugelde nimfen dwarrelden de open plek op, schoten kriskras door elkaar en vlogen weer terug de bescherming van de bomen in. Hun tinkelende gezang veranderde van lukrake en toch harmoniërende klanken geleidelijk in een melodie. Het werd tot een symfonie met een ritmische ondergrond van donkere houttonen. Dat waren de meebrommende faunen, waarvan er nu tientallen onder hun bomen stonden. De knoestige wortels van een rijtje elzen langs het water waren bezaaid met aardwezens in alle herfstkleuren die je kon bedenken.
Michaël ging overeind zitten. Zoveel verschillende natuurwezens had hij nog niet eerder bij elkaar gezien. Er was iets op handen. Hij keek met een vraag in zijn ogen naar Dia, die haar handen in een beschermend gebaar op zijn schouders legde. Haar aanraking voelde rustgevend aan, op een manier die hem het gevoel gaf dat ze wist wat er aan zat te komen. Zijn hart bonkte. Hij voelde de aarde onder zich resoneren op de elementale symfonie. Het leek wel of hij op de klankkast van een contrabas zat, die zachtjes werd gestreken door vaardige handen. Het zonlicht trok kronkelende dampslierten uit de venige bodem waarin, vaag zichtbaar, dansende waternimfen naderden.
Boven het dal was een zwevende schittering verschenen. Het deed Michaël denken aan een vrouw in een wijde japon die langzaam op en neer golfde, zoals een doorzichtige plastic zak in helderblauw zeewater. Het was een muze, werd Michaël verteld. Zij vertegenwoordigde het element vuur en was hierheen ontboden om de muziek van de sferen te dirigeren.
De symfonie verstierf, als een muzikale optocht die de hoek om gaat.
Zonder dat hij hen had zien komen, stonden daar opeens drie stralende gestalten. Hij vergat te ademen en deed zijn ogen dicht, het was te veel om naar te kijken.
In zijn hoofd kwam Dia’s aansporing, met een eerbiedige ondertoon: Je moet kijken, dat zijn mijn meesters.
Na een paar keer slikken durfde hij zijn ogen weer te openen, op een kiertje.
De gestalten werden langzaam duidelijker, minder als in elkaar overvloeiende lichtsluiers, meer als stabiele gedaanten.
Dankjewel, Dia, voor je komst, galmde het in zijn hoofd. Hij hoorde geen echte woorden zoals wanneer hij sprak met Dia, maar er kwamen een soort akkoorden in zijn geest. Zijn brein had de afgelopen tijd genoeg van elementale communicatie geleerd om de klanken te kunnen vertalen en er spraak van te maken.
Mensenjongen, weet je wie wij zijn?
Hij schudde zijn hoofd, te veel onder de indruk om te kunnen spreken.
Dia’s vleugels ritselden; was het de wind of waren het haar zenuwen? Hij voelde een zetje van haar knie in zijn rug dat leek te zeggen: Kom op, joh, laat je horen. Het was een lijfelijke aansporing die ze alleen in staat was te geven omdat ze nu van materie was. Het fysieke contact maakte dat hij weer een beetje tot zichzelf kwam.
Hij stond op, traag als een plant die zich ontvouwt, en boog diep.
‘Nee, eh...’ zei hij hardop. Doodnerveus, omdat hij niet wist hoe hij de wezens moest aanspreken, hield hij op.
Onze aanspreektitel is niet belangrijk, antwoordde de kleinste van de drie, met iets achteloos in zijn boodschap. Maar laat ik me voorstellen, zodat je weet met wie je te maken hebt. Ik ben de meester van de natuurwezens op de Aarde. De mensen noemen mij in dit deel van de wereld wel Pan, dat betekent ‘alles’. Hij leek even te grinniken. Ik ben natuurlijk lang niet alles, maar het klinkt aardig.
Pan’s gestalte was tijdens zijn verklaring geleidelijk duidelijker geworden: hij was er uit gaan zien als een soort boswachter, maar dan met een kostuum dat er middeleeuws uitzag.
Toen de natuurgod zijn aandacht losliet, verschoof Michaëls blik zich, als aangetrokken door een magneet, naar de tweede gestalte. In de heen en weer golvende uitstraling van het wezen verschoven kleuren zo helder en zo snel dat het niet te volgen was. Michaël voelde de macht die zich hier aan hem openbaarde tot in zijn botten. Daarbij vergeleken zag Pan er bijna als een gewoon mens uit.
Er klonk een akkoord in zijn hoofd, met klanken die hij nog nooit eerder had gehoord. In een gebaar van overgave zakte hij op zijn knieën.
Kijk mij aan, mensenjongen. Een kracht buiten Michaël trok zijn hoofd omhoog. Ik ben een engel van de lagere hiërarchieën, stelde de gedaante zich voor. Ik ben boodschapper; mijn naam doet er niet toe. Ik verschijn aan jou, om je te laten weten dat het woud en het dal al heel lang behoed en voorbereid worden voor een nieuwe samenwerking tussen natuurwezens en mensen. Jij vervult daarin een sleutelrol.
De verschijning verlegde zijn aandacht naar Dia. Wij zijn verrast door de vorm die de samenwerking aangenomen heeft.
Toen de engel zijn bewustzijn los liet viel een bijna onhoudbare druk in Michaëls hoofd weg.
Prompt maakte de derde gestalte zich kenbaar in zijn geest.
Ik ben de hoeder van het dal en van het woud, verkondigde hij kortaf.
Zijn gestalte leek gehuld te zijn in een groenblauwe mantel, die als noorderlicht om hem heen waaierde en er soms ook geel uitzag. Zijn haren, vingers en tenen zonden flitsen licht in wisselende kleuren uit. Het was niet duidelijk of het alleen maar licht was of dat het onderdelen van zijn lichaam waren.
Je kunt me een landschapsengel noemen, de bewaarder van het Dal van Bran en omstreken. Mijn naam is, vanzelfsprekend, gelijk aan mijn gebied: Bran.
Het onbegrip dat Michaël onbewust overbracht, lokte een ongeduldige verklaring uit.
Een landschapsengel is de behoeder van een landschap, mensenjongen. Het hoeden van landschapselementen is een lange en soms moeizame taak, waarin een natuurwezen op grootse wijze kan evolueren tot hoeder van een volledig landschap. Met name op plaatsen waar mensen actief zijn. Dat kunnen heilige plaatsen zijn of steden, landgoederen en op de juiste wijze bewoonde gebieden. Maar er zijn helaas ook verwoeste landschappen waar de aarde open gescheurd is voor de winning van delfstoffen, plaatsen die bedolven zijn onder jullie afval, gebieden waar atoombommen zijn ontploft, slagvelden waar ontelbare mensen en natuurwezens het leven hebben gelaten. Dat zijn kwellingen voor hun hoeders. Daar kunnen ze door sterven.
In zijn boodschap klonk een vinnig verwijt door.
De vergiftiging van mijn rivier en mijn woud is een pijnlijke kwelling. Daar moet een eind aan komen. Het trekt teveel kwaad aan, ook voor jullie mensen.
Michaël kromp bij elke uitspraak van de engel verder in elkaar. Hij had geen verweer tegen de sterke vibraties, die ongefilterd rechtsreeks tot zijn levenskern doordrongen. Het leek wel of alle blaam voor de wereldwijde verwoestingen op hem werd geladen. Hij was de zondebok, omdat hij hier en op dit moment de schuldig bevonden mensheid vertegenwoordigde.
Alle moed, alle energie, alle levenslust liep uit hem weg. Van schaamte en machteloosheid kon hij wel in de grond zinken en sterven.
Dwars door het vernietigende schuldgevoel heen sijpelde een boodschap.
Wanhoop niet, mensenkind. Je bent geboren als lid van een familie die de aarde kan helen. Daarom juist ben je hier, daarom zijn wij aan je verschenen. Jij bent onze voornaamste hoop.
Met een schuwe blik keek hij op, recht in de ogen van de boodschapperengel, van wie de troost was uitgegaan.
Bran heeft het niet zo persoonlijk bedoeld. Zo’n heftige reactie heeft hij niet voorzien. Je moet maar even rustig blijven luisteren, zodat je kunt bijkomen van de schrik.
Michaël wilde beamend knikken, maar de aandacht was al naar Dia verlegd. Het deed er blijkbaar niet toe wat hij ervan vond, dwarrelde het door zijn geest.