Deel 5: De elementen grijpen in

NIEUW!

Winkelprijs € 12,50

256 pagina’s, paperback

ISBN 97890.724750.1.5

 

Het magische woud in het Dal van Bran lijkt de strijd om te overleven gewonnen te hebben. Het zevenjarige meisje Diana, innig verenigd met de Dryade van het Woud, woont met haar zusjes in het bos. Hun vader is weer terug en zal de schoonmaakoperatie van het vervuilde riviertje leiden. Hun broer Michaël zwerft rond met zijn geliefde, de elfenvrouw Dia.

Het resterende gif in het riviertje is echter nog steeds een bron van kwaad. De elementen besluiten niet langer op de mensen te wachten en nemen het heft in eigen handen. Met verwoestende gevolgen...

Aan de mensen wordt de taak gegeven om de schoonheid van het dal te bewaren.

   Ja, ik bestel

 

Hoofdstuk 1


Boos weer


Het terrein van de afgebrande fabriek leek wel behekst. De ene bliksemschicht na de andere sloeg in op de verzakte resten van de stoomketel, alsof de elektrische elementalen vastbesloten waren de geest uit het wrak te verlossen.
Gordijnen van regen sloegen de grond tot dunne pap. De dorpsstraat was veranderd in een vloed van modderwater. Bij de brug verenigde die zich met een stroom van de andere kant en stortte zich in een spuitende waterval naar beneden. Het gerommel van meegesleurde keien over de bodem van de rivier was boven het regengedruis uit te horen. Graspollen en struiken van instortende oevers, afgescheurde takken, zelfs hele bomen dreven voorbij.
De oude brug was niet zo hoog als de spoorbrug. Stronken en stammen hoopten zich tegen de brug op. Al gauw stroomde het water over de brug in plaats van er onderdoor. Het aanliggende fabrieksterrein overstroomde tot een ziedende moddervlakte.

In het pension stonden de gasten zwijgend voor de ramen te kijken. Er viel niet veel te zien: de zware regen beperkte het zicht tot enkele meters. De glazen rinkelden in de sponningen door de hevige windstoten, bij elke donderslag trilde het hele gebouw. De regen donderde op het houten dak en maakte elk gesprek onmogelijk.
Het duurde niet lang of er gebeurde waar iedereen op had zitten wachten: de stroom viel uit. In alle huizen brandden al enige tijd olielampen en kaarsen: de bewoners van het dorp waren wel gewend aan langdurige stroomstoringen.

In hun kamp aan de rivier hadden de scouts zich verzameld in de groepstent. Het licht van de enkele benzinelamp die ze sinds de nachtelijke expeditie naar de fabriek nog over hadden, kwam niet ver in de dichte regen. Praten was onmogelijk door het getrommel van de waterstralen op de hevig schuddende tent en het gedonder van de onophoudelijke blikseminslagen.
Paul, hun technische leider, ging onrustig buiten kijken.
Druipnat kwam hij terug.
‘Jongens!’ schreeuwde hij tussen de donderslagen door. ‘De rivier kan het water niet meer kwijt. Ons terrein loopt onder. We moeten hier weg!’
‘Weg? In dit noodweer?’ gilden een paar meisjes. Ze groepten angstig bij elkaar. ‘Waarheen?’
Dat wist Paul ook niet. Onzeker keek hij naar zijn vriendin Maria, die hij beter als gids vertrouwde dan zichzelf.
Zij stond al enige tijd na te denken. Het liefst was ze naar het woud gevlucht, maar dat lag lager en zou wel eens helemaal onder kunnen stromen.
‘Naar het dorp,’ besliste ze. ‘Rugzakken mee, poncho’s aan.’
De bagage stond al klaar. Maria en Paul hadden de bui zien aankomen. Uit voorzorg hadden ze iedereen bevolen persoonlijke dingen in te pakken en in de grote tent klaar te zetten.
Onder gemopper en gegil als de bliksem vlakbij insloeg, sjorden de kleumende scouts rugzakken op hun schouders en hielpen elkaar de poncho’s er overheen vast te maken.
‘Paul, wat doen we om ons tegen de bliksem te beschermen?’ vroeg Maria hem bezorgd.
‘Ik weet het niet,’ bekende hij. ‘We moeten een heel stuk door open weiland om bij het dorp uit te komen. Er is daar geen enkele beschutting. Maar we zitten wel onderin het dal, de hellingen zijn hoger dan wij.’
Op dat moment kwam een golf water onder de tentwanden door.
‘Nou, daar zal je het hebben,’ was zijn laconieke reactie. Tegen de kring van angstige gezichten schreeuwde hij: ‘Blijf dicht bij elkaar! Let op je voorganger, blijf er vlak achter!’
Achter elkaar aan marcheerden onherkenbare gebochelde gedaanten het duister in. Soppend modderden ze door het ondergelopen kampement. Ieder hield een zaklantaarn gericht op zijn voorganger. Paul ging voorop, Maria telde. Zelfs in de stortregen bewees de sissende benzinelamp zijn dienst, al sloeg de stoom er af.
De regen was zo dicht dat Maria maar één zaklantaarn voor haar uit kon zien; de rest van de lange colonne was onzichtbaar. Zelfs bij het flikkerende licht van de bliksem kon ze maar een paar glimmende gedaanten voor haar ontwaren.
Met een oorverdovende slag sloeg de bliksem vlak bij in. Ze gilde van schrik. Ze gleed uit, krabbelde overeind en viel nog een keer. De lamp kletterde kapot en doofde.
Ze had zich bezeerd en het duurde even voordat ze weer kon staan.
Ze grabbelde naar haar zaklantaarn en scheen paniekerig voor zich uit. Geen mens meer te bekennen. Niemand had blijkbaar gemerkt dat ze de rij niet meer sloot. Stap voor stap begon ze het modderspoor te volgen. De regen liep langs haar hals en trok koude sporen over haar blote vel.
Vooraan de rij had Paul het niet veel beter. Ze klommen al enige tijd gestaag in het zijdal omhoog. Het eens zo vriendelijke beekje was tot een woeste stroom gezwollen. Toch moesten ze aan de overkant zien te komen, zo raakten ze steeds verder van het dorp.
Hij besloot iets af te zakken naar de bodem van het dal. Bij het licht van de bliksem kon hij opmaken dat ze hier wel zouden kunnen oversteken. Hij besloot het er op te wagen.
Hij schuifelde stap voor stap het ondoorzichtige water in. Het reikte net niet tot de bovenkant van zijn laarzen.
Hij seinde met zijn lamp dat de volgende kon komen.
Eén voor één geleidde hij de scouts door de stroom. Twee grote jongens gingen naast hem staan, zodat ze de kleineren en de meisjes aan elkaar konden doorgeven. Binnensmonds tellend gaf hij de glimmende gedaanten door.
Er misten er twee! Waaronder Maria!
Verwilderd zocht Paul de oever af met zijn zaklantaarn. Er doemde niemand meer op in de stralenbundel.
‘Ik moet terug, er missen er twee! Leiden jullie de groep verder omhoog,’ schreeuwde hij tegen zijn helpers. ‘Gewoon omhoog, je komt vanzelf in het dorp of bij de weg.’
Hij probeerde nog even bij te houden of iedereen wel meeging, maar hij raakte de tel kwijt.
Hij haalde zijn schouders op, ze moesten het maar zien te redden; eerst Maria en die andere opzoeken.
Glibberend daalde hij af langs het spoor. Een paar keer gleed hij uit en kwam op zijn achterste in de modder terecht. Hij was doodmoe, maar de adrenaline hield hem overeind: zijn lief was ergens achtergebleven, gevallen, misschien verdwaald...
Daar! Een kleine gedaante, kruipend op handen en knieën.
Hij scheen in het rond, was Maria er ook? De straal van zijn lamp onthulde echter niets anders dan modder en regenvlagen.
Hij trok het meisje overeind. Ze huilde gierend en klemde zich aan hem vast. Ze had haar voet verzwikt; haar lantaarn had ze verloren.
Paul wilde verder zoeken naar Maria, want als ze nog verder terug was achtergebleven was ze zeker gewond of verdwaald.
Besluiteloos stond hij in de stromende regen. Gelukkig sloeg de bliksem niet meer zo vlakbij in. Hij besloot het meisje mee te nemen.
Voetje voor voetje schuifelden ze terug door de blubber. Tot het fout ging. Samen gingen ze onderuit en kwamen op hun rugzakken terecht. Het meisje gilde, Paul vloekte: hij had zijn zaklantaarn laten vallen! Hij was hem kwijt! Het meisje jammerde angstig toen hij op zijn knieën weggleed. Ze greep hem vast bij een fladderend pand van zijn poncho.
Hij gaf het zoeken maar op. Met de tanden op elkaar glibberden ze de helling af. Het meisje kreunde van de pijn bij elke stap.
Tijdens een lange flikkering van opeenvolgende bliksemstralen werden de regensluiers zilverig verlicht.
Iets zwarts doemde op, vlak naast de woeste stroom.
‘Maria! Maria!’ schreeuwde hij. Hij moest hoesten, stikte er bijna in, had zeker water ingeademd dat langs zijn gezicht stroomde. Half glijdend kwamen ze pal voor het water tot stilstand.
Daar! Maria! Ze zat geknield naast een liggende gedaante.
Ze keek hem aan alsof hij een engel uit de hemel was, gekomen om haar te redden.
Met één hand trok hij haar overeind en liet zich omhelzen.
‘Paul, Paul,’ snikte ze.
‘Ik miste je opeens,’ zuchtte hij in haar oor. De opluchting was zo groot dat hij zich even niet meer goed kon houden. Een paar hartslagen lang konden ze in elkaar opgaan.
Het gejammer van gewonde meisje bracht hen terug in de akelige realiteit. Uit haar bemodderde gezichtje staarden twee doodsbange ogen naar Paul en Maria op.
‘Het is Minica, ze heeft haar enkel verzwikt, misschien wel gebroken. Wie is dit?’
‘Ik weet het niet. Ik gleed naar beneden en zag hem liggen.’
‘Is hij dood?’
‘Nee, maar helemaal verwilderd, kleren kapot, baard van drie dagen, bewusteloos en koud.’
‘Ik ga hulp halen uit het dorp. Heb je het koud?’
‘Een beetje. De regen is overal naar binnen gesijpeld.’
‘Blijf in beweging, dan houd je jezelf warm. Probeer vast omhoog te gaan met Minica. Die man kunnen we niet vervoeren, die vinden we straks wel.’
Het meisje knikte toen Paul haar uitlegde dat hij hulp ging halen en zij met Maria vast op weg moest gaan. Elke stap dichterbij zou haar eerder in de warmte brengen.
Weer moest hij die hele klim afleggen in de ijzige regen en de kleverige blubber. Zijn handen en voeten waren gevoelloos geworden, zijn hoofd klopte, zijn adem raspte. Stap voor stap, af en toe terug glijdend, volgde hij het spoor, bijgelicht door steeds verder verwijderde lichtflitsen.
Bij de doorwaadbare plek stond hij verslagen naar de troebele stroom te kijken, die in de tussentijd breder en dieper was geworden. Hij voelde zich te uitgeput om hem over te steken. Zo in het donker en zonder hulp: als hij onderuit ging was hij verloren.
Toen gebeurde er een klein wonder. Een dichte sluier regen trok over hem heen en erachter werd het helder. Verwonderd stond hij na te druppelen in een maanlichte wereld van wind en water. De laatste zilver verlichte wolken dreven weg.
Waar was het dorp? Hij zocht naar de bekende lichten.
Toen hij de natte haren uit zijn ogen had geveegd zag hij flauw verlichte vensters en... zwaaiende zaklampen die in zijn richting kwamen!

 

Hoofdstuk 2


Weer bij elkaar


Vanuit een grot diep in het woud stak Lucy een hand naar buiten en riep opgewekt: ‘Het is droog. We kunnen terug naar de tenten!’
Droog? Je bazelt, ik hoor het overal druppelen, kwam Wendy’s gedachte in innerspraak, terwijl ze het gevoel van haar huivering meezond.
‘Het regent niet meer, dan,’ gaf Lucy opgeruimd toe. Haar goede humeur bleef onaangetast. Ze had genoten van het extreem zware noodweer. Ze had naar de steeds dichterbij komende blikseminslagen staan kijken en was pas de grot in gevlucht toen een massief gordijn van water en hagelstenen de wereld dichttrok. De grotbodem lag vol met ingewaaide bladeren en de achterkant was mooi rond uitgesleten. Ze hadden er lekker beschut gelegen.
Diana kroop uit haar bladerenbed en ging naast haar staan.
Ben je moe, Di?
‘Ja,’ gaapte ze. Het was hard werken voor mijn dryade. Er zijn heel veel bomen omgewaaid en weggespoeld. Ik heb haar geholpen. Nu slaapt ze even. Ze geeuwde weer en viel bijna om.
Jij kan ook wel wat slaap gebruiken. Wen!’ riep Lucy.
‘Ja, ik kom al,’ mopperde die hardop.
‘Kom, we gaan terug naar ons kampje. Diana moet slapen en ik heb honger.’
Bijgelicht door dansende maanstralen, nat gespetterd door opverende takken, trokken ze door het drijfnatte bos. Overal gorgelden en klokten stroompjes. Ze moesten door poelen en moerassen waden, zich langs afgerukte takken worstelen, over omgewaaide bomen klimmen.
Toen ze eenmaal doorweekt was hield Wendy eindelijk op met mopperen en sjouwde zwijgend achter Lucy aan, die Diana bij de hand hield.
Op de Boswei was het eerste wat hen opviel een hoge eikenboom, waarvan de helft afgespleten was en op de grond lag. Verder was het moerasje nu een meertje, maar de tentjes stonden er nog.
Die eikenboom heeft ons kampje beschermd, merkte Diana op met spijt in haar stem. Nu is hij zelf kapot.
Desondanks blij dat hun thuis nog heel was ritsten ze hun tent open voor droge kleren. Weldra suisde het gasbrandertje en dreven de geuren van gebakken eieren en soep over de open plek. Diana hield het bij de bossoep, de tweeling trakteerde zichzelf op enorme uitsmijters.
Ben jij bang geweest? polste Wendy, toen Diana onder zeil was. Innerspraak met haar zusje was in de korte tijd dat ze het beheersten zo gewoon geworden, dat ze er vaak niet eens meer aan dacht om hun mond te gebruiken.
Nee, geen moment, ik heb eigenlijk zelfs genoten, bekende Lucy.
Genoten? Van die bliksem en donder en regen en kou? Nou, ik heb best in mijn rats gezeten.
Ja, prachtig, die felle stralen en dat enorme lawaai. Pure natuurkracht, daar kan geen mensending tegenop.
Nee, daarin heb je wel gelijk. Wendy ging bij haarzelf na wat haar nou zo bang had gemaakt.
Ik denk dat het komt omdat we verschillend zijn, probeerde Lucy uit te leggen. Ik houd van natuurkunde en zo, ik snap wat er aan de hand is. Jij bent meer een gevoelsmens.
Ja, zei Wendy, opgelucht dat haar zusje met een logische verklaring kwam. Ik vond het wel indrukwekkend, maar al die elektriciteit in de lucht maakt me vreselijk onrustig en ik voorzie altijd allerlei rampen.
Verdiept in hun eigen gedachten zaten ze naast elkaar, hun handen verstrengeld zonder dat ze het beseften.

De volgende dag zagen ze hun vader hijgend uit het natte bos komen soppen in zijn regenpak, een hoge rugzak achterop.
Tegelijk renden ze naar hem toe en kusten hem. Voorzichtig, want zij waren droog en hij was nat.
‘Alles goed? Waar is Diana?’ lachte hij, opgelucht om het kampje met zijn dochters intact aan te treffen.
‘Binnen, slapen. Heb je lekkers meegebracht?’
‘Ja, nieuwe voorraden, vers brood, frisdrank, biertjes voor mij, een krant en nieuws van jullie moeder.’
Hij zag er zo blij uit dat het nieuws ook wel goed zou zijn.
Onbewust hielden ze er rekening mee dat er iets met hun moeder gebeurd was. Meestal was dat het geval als ze op reis ging.
‘Zijn Miche en Dia de hort op?’
‘Ja, al vanaf gister, maar vertel, hoe is het met Mama?’
‘Nou, het is een heel verhaal. Ze is thuis, het gaat goed met haar en ze komt over een week, als ze weer helemaal boven Jan is.’
‘Wat is er dan gebeurd?’ Lucy liet zich niet met een kluitje in het riet sturen.
‘Het komt er op neer dat ze in Peru in een lawine terecht is gekomen en vijf weken met een hersenschudding in een ziekenhuis heeft gelegen.’
‘Echt is voor Mama,’ mompelde Lucy. ‘Een lawine, jawel.’
Wendy had meer met haar te doen. ‘Heeft ze veel pijn gehad?’ vroeg ze zachtjes.
‘Dat zei ze er niet bij, maar vijf weken plat liggen zegt wel iets.’
‘Zei ze nog iets over ons?’
‘Ja, ze vroeg natuurlijk hoe het met jullie ging en waarom jullie nog niet thuis waren. Ik heb haar in het kort verteld wat er gebeurd is. Ze schrok er van, maar ze zei ook dat ze trots op jullie was.’
‘Maar ze heeft toch alles op de tv kunnen zien, en de kranten...?’
‘Ach, weet je, om te beginnen krijgt het Elfenwoud in Nederland minder aandacht dan hier. Ze vertelde dat ze nog hoofdpijn krijgt als ze tv kijkt of leest. Ze luistert meestal naar muziek.’
‘Nou, dat is ook wat!’ vond Lucy verontwaardigd. ‘We zijn de beroemdste kinderen van dit land, Dia is een wereldwonder en Diana is een halve godin...’ Met tranen in haar ogen trok ze Wendy dichterbij. ‘Zeg jij eens wat.’ Ze moest toch huilen.
‘Hier gebeuren wonderen en de president komt ons een hand geven,’ snikte ze boos, ‘en Mama... ze weet niets eens waar we zijn!!’
Toen ze uitgehuild was ging ze rechtop zitten. ‘Je zal zien,’ mopperde ze nog, ‘dat ze straks komt en net doet of zij het allemaal heeft bedacht.’
‘Ja,’ zei Herman, ‘daar heeft ze wel een handje van, om de aandacht naar zich toe te trekken, ook al heeft ze er geen moer mee te maken.’
Zo had ieder zijn gedachten over de vrouw met wie ze een soort haat-liefde verhouding hadden.
Terwijl ze een uitgebreid ontbijt maakten wilde Herman weten hoe ze het noodweer hadden doorstaan. Hij knikte telkens bij hun verhaal, waarin niets spectaculairs was te melden.
Hij bekende op zijn beurt dat hij een overtuigd gevoel had gehad, de vorige avond, dat zijn dochters veilig waren in het woud en Michaël veilig was met Dia. Hij had zich daarom niet teveel zorgen gemaakt.
‘Maar ik weet niet hoe ik me gevoeld zou hebben als ik geweten had hoe erg het noodweer werkelijk was. In Jablun hebben we er niet veel van gemerkt. We zagen het alleen boven de bergen uit weerlichten,’ vertelde hij. ‘Ik schrok me dood toen ik vanochtend in het dorp kwam. Overal aardverschuivingen, de brug is ingestort, het fabrieksterrein is zowat weggespoeld...
‘Is de brug ingestort?’ Welke brug?’
‘De stenen brug van de weg. Het middenstuk is verdwenen.’
‘Goh, hoe moeten de mensen dan naar ons toe komen?’
‘Gewoon, met de trein. De spoorbrug is onbeschadigd, die is een stuk hoger. En ik ben er toch ook? De weg naar Jablun is gewoon open.’
Diana kroop op dat moment uit de tent, haar slaapzak nog om zich heen, en nestelde zich op de schoot van haar vader.
‘Miche en Dia komen er aan,’ gaapte ze.

 

 

Hoofdstuk 3


Over moeder


Het verbaasde hen niet dat Dia inderdaad na een paar minuten verscheen. Ze beschreef een sierlijke bocht boven de open plek en zette Michaël behoedzaam aan de grond. Zelf vloog ze van zijn rug even achteruit omhoog, een nieuwe stunt die bewonderend werd bekeken.
Bij het ontbijt herhaalde Herman wat hij had verteld over hun moeder en over het gevoel dat hij had gehad, tijdens het noodweer, dat zijn kinderen veilig waren.
Heb jij dat gedaan? seinde Michaël naar Diana.
Ik kan hem soms voelen en ik kan hem mijn gevoel sturen, beaamde ze. Maar geen woorden.
Wat knap! Hoelang kan je dat al? .
O, al een paar dagen. Sinds de brand denk ik. Hardop: ‘Wat vind jij ervan dat Mama komt?’’
‘O, ik weet het niet,’ mompelde hij. Luus, Wen, wat vinden jullie van Pap’s verhaal?
De meisjes haalden hun schouders op.
Herman keek met verbazing toe hoe zijn kinderen telepathisch met elkaar communiceerden. Hij voelde zich niet helemaal buitengesloten, want gevoelsmatig bleef hij er bij betrokken. Hij vermoedde dat hij dat aan zijn jongste dochter te danken had.
Op dat punt met zijn gedachten gekomen keerde ze zich even om en gaf hem een kusje ter bevestiging.
Intussen worstelden de kinderen verder met hun gevoelens voor hun moeder.
Heb jij haar gemist? waagde Wendy aan Michaël te vragen. Ze was zich terdege bewust van de moeite die hij met hun moeder had.
Hij begon zijn haardos te krabben, waar het begon te jeuken.
Nou, eigenlijk heb ik al heel lang niet meer aan haar gedacht, bekende hij. Sinds ik met Dia ben is mijn leven zo anders geworden. Ik denk ook niet meer aan Pap als mijn vader, maar meer als... nou ja, als mijn vriend.
Wendy keek sip.
Lucy: Mis jij haar wel, Wen? Ik wel, soms, maar niet zo erg als in ons nieuwe huis. Ze boog haar hoofd. Tranen drupten op haar schoot.
‘Nee, thuis was ze er eigenlijk nooit voor ons,’ zei Michaël zachtjes. ‘Daarom vond ik het zo erg dat we uit de woongroep weggingen. We waren toen alleen met Mam en zij was hele dagen en avonden bezig met haar workshops en sessies.’
‘Wat weet jij nou daarvan! Jij zat alleen maar achter je computer!’ schold Lucy.
‘Wij hadden elkaar, Luus,’ zei Wendy. ‘Wij waren altijd samen.’
‘Ze heeft ons niet eens geholpen of gefeliciteerd toen we voor het eerst ongesteld werden,’ klaagde Lucy. ‘We moesten zelf tampons en maandverband kopen.’
‘Maar het was wel gaaf om samen bh’tjes te kopen, weet je nog?’ gnuifde Wendy.
‘En reetveterslips.’
‘En gekke sokken.’
‘En oorbellen te pikken.’
‘Dat durfde ik niet.’
‘Schijtlaars.’
‘Heb jij haar gemist, Di?’ vroeg Wendy.
‘Jawel, soms,’ antwoordde Diana. ‘Maar ik was eigenlijk nooit alleen. Ik had altijd de ander in mij, de dryade, en ik had jullie en Miche. Ik had vaak medelijden met Mama, omdat ze zo haar best deed en er altijd zoveel mis ging. Zij was wel alleen.’
‘Dat deed ze zelf!’
‘Jawel,’ mengde Michaël zich weer in het gesprek, ‘maar dan kan je evengoed heel eenzaam zijn.’
‘Ze had ons toch!’ zei Lucy boos. ‘Als ze wat meer aandacht voor ons had gehad had er niemand eenzaam hoeven zijn.’
‘Nee, dat is zo.’
‘Jij had niemand, hè?’ zei Wendy.
‘Nou ja, ik had Diana,’ bromde Michaël. ‘Die was vaak bij me. Dia praatte toen nog niet tegen me.’
Kon je dat niet of wilde je het niet? wilde Lucy weten.
Ik kon het misschien wel, gaf Dia antwoord. Op het laatst zeker, maar ik was de meeste tijd aan het werk. Dan ben ik verspreid. Ik heb Miche wel een paar keer geholpen. Maar dat grote verdriet van hem schrok me af. Ik wist niet wat ik daar mee aan moest. Het was iets wat ik niet kende en niet wilde kennen ook.
‘Kom, laten we weer hardop gaan praten. Pap zit er als een verloren schaap bij.’
‘Pap, kan je vertellen hoe het in het dorp is? We zagen vanaf een bergtop de verlichting uitvallen.’
‘Vanaf een bergtop, hè?’ begon Herman. ‘Nou, toen Bertold en ik vanochtend aankwamen wisten we niet wat we zagen. De verkeersbrug is weggespoeld, alles zit onder een dikke laag modder, de molendam ligt vol gestrande bomen en struiken. Het fabrieks-terrein is helemaal kaal gespoeld, alle grond, as en betonresten zijn in de rivier terecht gekomen. De oude stoomketel ligt aan stukken, het lijkt wel of hij met grote hamers is stuk geslagen. Het water is nu wat aan het zakken. Overal zie je erosiesporen, zelfs in de weilanden.’
‘Jee, wat erg. En de trein?’
‘Die rijdt nog.’
‘Hoe is het met de scouts? We hadden de indruk dat ze in nood zaten. Toen de bui was overgetrokken was hun kamp leeg. Het stond helemaal onder water.’
‘O, die zitten voorlopig in het dorp. Ze hebben onderdak gekregen bij allerlei mensen thuis.’
Herman vertelde het verhaal van Paul en Maria en het meisje Minica. De kinderen leefden helemaal mee met de arme scouts, ploeterend door de regen en de modder, met overal bliksem om hen heen. Hij vertelde van de man die ze hadden gevonden, uitgehongerd en onderkoeld. De man was later in de nacht met een ambulance opgehaald om naar Zilina gebracht te worden.
Diana en Michaël keken elkaar geschrokken aan.
‘Zou het die vierde man zijn, die verdwaalde?’ opperde hij. ‘Ik was hem helemaal vergeten.’
Op de vragende blikken van Herman en de tweeling vertelden ze van hun avontuur met de vier gangsters in het woud.
‘Dat hebben jullie me nooit verteld!’ zei Herman boos. ‘Weten jullie wel hoe gevaarlijk die lui zijn?’
‘Nou en,’ zei Diana pinnig. ‘Wij waren met het hele bos. Dan kunnen ze ons niet pakken. Ze konden ons niet eens zien.’
Herman aarzelde met zijn reactie. Hij begreep dat Diana niet opschepte, dat zij en het woud één waren. ‘Goed,’ zuchtte hij. ‘Je zult wel gelijk hebben. Hopelijk zullen ze het voortaan uit hun hoofd laten om het bos in te gaan. Zeker als deze laatste man zijn belevenissen kan navertellen.’
‘Maar Pap,’ haakte Michaël er op in, ‘dat al die gangsters op ons afkomen en dat alle lege huizen aan projectontwikkelaars zijn verkocht, zijn wel dingen die afbreuk doen aan het goede dat het Elfenwoud uitstraalt. Iedereen wil er geld aan verdienen, of het van anderen stelen. Ik vind dat we een andere boodschap de wereld in moeten brengen, maar ik weet niet hoe.’
Hij hief zijn hoofd met een ruk en luisterde.
‘Dia vraagt hoe het nou is met de bedding van het riviertje. Ze zegt dat grote watergeesten en luchtgeesten hebben samengewerkt met aardwezens om de bedding diep om te woelen en uit te spoelen.’
Herman zag eruit of hij er niets van begreep.
‘Door het noodweer, bedoelt ze,’ vulde Michaël aan. ‘Dat is speciaal uit de omgeving verzameld om in één keer te klaren wat wij met de hand hadden willen doen.’
Herman keek vragend naar de elfenvrouw. ‘Is... bedoelt Dia dat de onweersbui van vannacht speciaal was... aangetrokken om de bedding door te spoelen?’
‘Ze zegt dat nog hogere hiërarchieën dan de boodschapperengel en de landschapsengel het hebben bevolen.’
Zin voor zin vertaalde hij de boodschappen van Dia in het Nederlands voor zijn vader.
‘Het Elfenwoud liep teveel gevaar en het herstel dat door ons was gepland zou te lang gaan duren.’
....
‘Het Elfenwoud is van veel groter belang dan we beseffen.
Daarom hebben ze ingegrepen om de schade te herstellen.’
....
‘Dat er veel andere dingen verwoest zijn of voor hele lange tijd verstoord, nemen ze voor lief. Soms is de enige manier om iets destructiefs op te laten houden om het met een nog grotere destructie te vernietigen.’
‘Het zal nog wel een paar dagen duren voordat het water allemaal weg is, hè?’ zei Michaël.
‘Ja, de berghellingen zijn doorweekt, daar blijft voorlopig nog heel wat water uit komen.’
‘Dia stelt voor dat we bij de waterval gaan kijken. Het keteldal staat helemaal vol, zegt ze. Alle modder en stenen zijn er in terecht gekomen en hebben de afvoer verstopt. De aardwezens hebben het gedaan om ook dat gat voor de Anderen te sluiten.’
Het was wel veel informatie ineens. Michaëls verhalen over kwaadaardige wezens die door gaten of poorten naar deze wereld kwamen vond Herman maar moeilijk te accepteren. Maar dat de afvoer van het keteldal verstopt zou zijn wilde hij met eigen ogen zien.
Ze maakten zich klaar voor een zware trektocht, met bergschoenen, regenkleding, eten en drinken en een kompas. Dia ging niet mee. Ze ging helpen opruimen, zei ze.
De gang door het woud was moeizaam. Hele stukken stonden nog onder water. Veel takken en hele bomen waren naar beneden gekomen. Ze moesten een route bovenlangs de helling nemen, want langs het riviertje was het onbegaanbaar.
‘Wat vind jouw dryade er nu van?’ vroeg Michaël aan Diana. Omwille van Herman sprak hij hardop.
Ze schudde haar hoofd. ‘Ze is bezig,’ was alles wat ze zei.
Zonder veel oponthoud vonden ze hun weg naar de rand van het keteldal.
Verbijsterd keken ze omlaag.
Op de plaats waar ze vele maken langs het watervalletje tussen enorme rotsblokken waren afgedaald en omhoog geklommen, donderde nu een bruine golf water naar beneden, beladen met rommel en takken.
Het dal was tot over de helft gevuld met modderwater, waarin tientallen, nee honderden dode en levende bomen omhoog staken. Een kerkhof was het.
Ze konden het niet langer aanzien en wendden zich af. Deze geheimzinnige en lieflijke kom in de bergen was door de beschermgeesten van het dal opgeofferd om de wijd verspreide schade in te dammen die mensen hadden veroorzaakt.
Diana liep huilend aan de hand van haar vader. De tweeling was er niet veel beter aan toe. Michaël liep bedrukt achteraan.

©Esmas - Easy Site Management System [v0.1] - Verwegen Webdevelopment™